• Je hebt de nieuwsberichten misschien wel gezien: etiketteringsregels die worden overtreden door visverkopers. De Consumentenbond publiceerde de resultaten van hun nieuwste steekproef: viskramen en -winkels blijken vaak onvoldoende informatie te geven over de producten die ze verkopen. Maar net als andere voedselverkopers zijn ook verkopers van vis verplicht om al hun klanten specifieke informatie te geven over hun producten. Waar je dan aan moet denken en waarom dat zo belangrijk is, vertel ik je in deze blog.

    In mijn blog over de verplichte vermelding van allergenen verwees ik al eens naar de Europese verordening[i] die regelt welke voedselinformatie aan consumenten moet worden verstrekt. Deze Verordening is de basis voor etikettering en andere vormen van voedselinformatie, zoals mondelinge informatie of ander begeleidend materiaal. De wet geldt in heel Europa, om ervoor te zorgen dat Europese burgers op eenzelfde manier van informatie over hun eten worden voorzien. Zo word je als consument beschermd tegen misleidende of onjuiste informatie. Volgens Artikel 4 van deze Verordening moet je bijvoorbeeld informatie krijgen over: (i) de identiteit en samenstelling, eigenschappen of andere kenmerken van het levensmiddel; (ii) veilig gebruik van het levensmiddel (zoals de houdbaarheid en hoe je het bewaart); en (iii) informatie over de voedingskenmerken. Artikel 9 van dezelfde wet schrijft een aantal verplichte vermeldingen voor, waaronder de benaming van een levensmiddel, de lijst van ingrediënten, bijzondere bewaarvoorschriften, een voedingswaardevermelding, maar ook het land van oorsprong of de plaats van herkomst van een product.

    Vaak denken we bij deze verplichte vermeldingen aan het etiket: daar vind je gemakkelijk allerlei verplichte informatie terug over een voedingsproduct. Maar wat nu als zo’n product onverpakt wordt verkocht, zoals vaak het geval is bij vis die wordt verkocht in een viskraam of viswinkel? Dan blijft het belangrijk dat consumenten goed worden geïnformeerd. Wel worden de eisen voor informatie iets aangepast, door middel van specifieke bepalingen in nationale wet- en regelgeving. In Nederland staan deze specificaties uitgewerkt in het Warenwetbesluit informatie levensmiddelen[ii]. Zo is de benaming, al benoemd in de Europese Verordening, nog altijd verplicht: zo’n wettelijke naam moet duidelijk zichtbaar worden weergegeven in de buurt van een product of op een kaart, of eventueel op een andere wijze kenbaar worden gemaakt.

    Deze eisen zijn vastgesteld voor alle niet-voorverpakte levensmiddelen. Maar voor visserijproducten is nog een andere Europese Verordening van belang, waarin specifieke voorwaarden voor het verhandelen worden beschreven[iii]. Zo worden er ook aanvullende etiketterings- of markeringseisen gesteld voor het verhandelen van vis: er moet onder meer worden vermeld wat de handelsbenaming en de wetenschappelijke naam van de soort is, wat de productiemethode is geweest (is het bijvoorbeeld gevangen of gekweekt), maar ook het gebied waarin het product is gevangen of gekweekt moet worden benoemd.  En aangezien dit voor niet-voorverpakte visproducten natuurlijk niet op een etiket kan worden vermeld, wordt in de wet voorgesteld om met borden of posters een consument te informeren.

    De Consumentenbond liet in hun steekproef zien dat deze informatievoorziening bij veel verkooppunten niet helemaal op orde is. Als koper loop je het risico achter het net te vissen voor die verplichte informatie. Dat maakt het lastig om als koper een eerlijke vergelijking te maken van wat je precies aanschaft, of het al dan niet gekweekt is en of het dus bijvoorbeeld een duurzame keuze is. Daarnaast rapporteerde de Consumentenbond in haar onderzoek ook het gebruik van duurzaamheidskeurmerken bij visverkopers. Ze zagen dat maar een klein deel van de verkopers in hun steekproef gebruikt maakt van het MSC of het ASC-keurmerk. Het MSC-keurmerk is gericht op wilde visserij en heeft ten doel om verantwoordelijk en duurzaam beheer van visstanden te bevorderen en belonen[iv]. Het ASC-keurmerk is een keurmerk voor kweekvis, waarbij men zich richt op het verlagen van de invloed van het kweken van vis op het milieu[v]. Zo zijn er regels opgesteld om antibioticagebruik te verminderen en duurzamer visvoer te gebruiken. Deze geaccrediteerde keurmerken kunnen je als koper helpen om een keuze te maken. Niet alle bedrijven maken echter gebruik van deze keurmerken: een licentie op een MSC of ASC-keurmerk te gebruiken kost geld en tijd.

    Maar wat kun je nu het beste doen als je nu zin hebt in een visje en je wilt een duurzame keuze maken? Allereerst zorgt deze steekproef er hopelijk voor dat alle viskramen en -winkels beter kijken naar de informatie die ze verstrekken. Zo kunnen ze zorgen dat ze aan de juridische eisen rondom informatievoorziening voldoen en kun jij als koper ook zien waar je vis vandaan komt. Weet je dan nog niet zo goed wat je wilt kiezen? Een duurzame(re) keuze check je op de Viswijzer!


    [i] Verordening (EU) Nr. 1169/2011 betreffende de verstrekking van voedselinformatie aan consumenten. Beschikbaar via http://data.europa.eu/eli/reg/2011/1169/2018-01-01

    [ii] Warenwetbesluit informatie levensmiddelen. Beschikbaar via https://wetten.overheid.nl/BWBR0033323/2019-12-14

    [iii] Verordening (EU) Nr. 1379/2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten. Beschikbaar via http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1379/2020-04-25

    [iv] Voedingscentrum (2021). MSC-keurmerk. Beschikbaar via https://www.voedingscentrum.nl/encyclopedie/msc.aspx

    [v] Voedingscentrum (2021). ASC-keurmerk. Beschikbaar via https://www.voedingscentrum.nl/encyclopedie/asc.aspx

  • In Nederland koop je voedingssupplementen met kruiden niet alleen in de supermarkt, maar vind je ze ook in speciaalzaken en soms zelfs bij de apotheek. De gezondheidsclaims die op zulke kruidensupplementen staan, worden tegenwoordig vaak gevolgd door een sterretje. Dit sterretje is een disclaimer dat de evaluatie van de claim nog lopende is, of dat de claim in afwachting is van Europese toelating. Je hebt zulke claims vast wel eens voorbij zien komen in de reclameblokken!

    Al eerder schreef ik over wanneer voedings- en gezondheidsclaims op voedingsproducten gebruikt mogen worden. Een voedingsclaim vertelt je iets over de gezonde ingrediënten die in een product zitten (‘rijk aan vezels’). Een gezondheidsclaim gaat een stapje verder, door één ingrediënt in het product uit te lichten en hierover te vertellen wat het in je lijf doet (‘vitamine C ondersteunt je immuunsysteem’). Zulke claims mogen in heel Europa alleen gebruikt worden wanneer hiervoor toestemming is gevraagd bij de Europese Commissie [i]. Bij de beoordeling van zo’n verzoek wordt de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) ingeschakeld om naar het onderliggende wetenschappelijke bewijs voor een gemaakte bewering. Deze onafhankelijke wetenschappers beoordelen of is aangetoond dat bij gezonde mensen dit specifieke stofje (of combinatie van stoffen) een positief bijdrage aan de gezondheid levert. Als zij een positief oordeel vormen, is de kans groot dat de Europese Commissie de gezondheidsclaim toelaat [ii],[iii].

    Je zou dan ook denken dat je nu alleen nog goedgekeurde claims ziet op voedingsmiddelen. Maar er is één categorie claims die nog helemaal niet is beoordeeld: de claims op voedingsproducten met kruiden. Toen in 2008 alle mogelijke claims werden verzameld, zaten er ook veel claims tussen die gingen over de gezondheidseffecten van (extracten van) specifieke kruiden of combinaties van kruiden. En terwijl de eerste beoordeling van de in 2008 ingediende claims op andere voedingsstoffen wel is uitgevoerd, is de beoordeling van die claims op kruidenpreparaten stilgelegd in 2010.

    Die beoordeling werd stilgelegd omdat niet iedereen het eens was met de eisen die werden gesteld aan de onderbouwing van zulke claims. Want waar voor geneesmiddelen een speciale categorie gemaakt is van producten wiens werking gebaseerd is op zogenaamd ‘traditioneel gebruik’ bewijs, bestaat dit niet voor voedingsmiddelen. Hierdoor zijn verschillende belanghebbenden van mening dat voedingsmiddelen, dus ook supplementen, eigenlijk strenger gereguleerd worden dan medicijnen [iv].  Traditioneel gebruik zou je kunnen aantonen met bewijs dat een kruid al 30 jaar voor een bepaald gezondheidseffect gebruikt wordt, wat kan blijken uit bijvoorbeeld verkoopgegevens en (wetenschappelijke) artikelen over zulke kruiden [v]. Maar of traditioneel gebruik inderdaad aangevoerd mag gaan worden als bewijsvoering voor een gezondheidsclaim, daar is men nog altijd niet uit[iv].

    Want al zijn we intussen 10 jaar verder, de beoordelingsprocedure van claims op kruidenpreparaten ligt nog steeds stil. Als tussenoplossing mogen claims die in 2008 al werden ingediend voorlopig gebruikt worden in reclame-uitingen voor kruiden en kruidenpreparaten. In Nederland vond de Reclame Code Commissie het alleen misleidend dat zulke claims op eenzelfde manier gebruikt werden als goedgekeurde claims, waarbij al wél naar het onderliggende bewijs was gekeken. Daarom moet je sinds 2019 direct in de buurt van een claim op kruiden, die nog niet is beoordeeld, een disclaimer zien staan [vi]. Die disclaimer moet verduidelijken dat het beoordelingsproces nog niet is afgerond, dat de claim nog ‘on hold’ staat. Daarmee kun je onderscheid maken tussen claims, waarbij de kruidenclaims niet een vergelijkbare status hebben als een goedgekeurde claim die zonder disclaimer te zien is op een voedingsmiddel. Klachten bij de Reclame Code Commissie tegen claims op kruidenpreparaten worden ook volgens die redenatie beoordeeld: zolang een disclaimer wordt gebruikt, mogen zogenaamde ‘on hold’ claims op kruidenextracten in bijvoorbeeld voedingssupplementen gebruikt worden door producenten in hun advertenties [vi].

    Wat betekent dit nu voor jou? We hopen natuurlijk dat deze situatie niet te lang meer duurt, maar dat er snel een Europese beslissing genomen gaat worden over wat nu als adequate onderbouwing gezien wordt voor een gezondheidsclaim. Maar zolang dat nog niet is gebeurd, is het belangrijk om je bewust te zijn van het feit dat gezondheidsclaims – al gaan ze maar over één stofje – nuttige informatie kunnen bieden, maar dat deze claims op kruiden gewoonweg nog niet zijn beoordeeld.


    [i] Verordening (EG) Nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (Geconsolideerde versie 13 december 2014.)

    [ii] A de Boer, E Vos, A Bast (2014). Implementation of the nutrition and health claim regulation – The case of antioxidants. Regulatory Toxicology and Pharmacology 68(3), 475-487.

    [iii] KGM Lenssen, A Bast, A de Boer (2018). Clarifying the health claim assessment procedure of EFSA will benefit functional food innovation. Journal of Functional Foods 47, 386-396.

    [iv] KGM Lenssen, A Bast, A de Boer (2020). Should botanical health claims be substantiated with evidence on traditional use? Reviewing the stakeholders’ arguments. PharmaNutrition 14, 100232.

    [v] KGM Lenssen, A Bast, A de Boer (2019). International perspectives on substantiating the efficacy of herbal dietary supplements and herbal medicines through evidence on traditional use. Comprehensive Reviews in Food Science and Food Safety 18, 910-922.

    [vi] E Hoogenraad (2019). Tip van jouw advocaat: Let op on hold disclaimer bij botanicals! Beschikbaar via https://www.vmt.nl/wetgeving-toezicht/nieuws/2019/07/tip-van-jouw-advocaat-let-op-de-on-hold-disclaimer-bij-botanicals-10137424

  • Voordat een nieuw voedingsmiddel op de markt komt, wordt vereist dat zo’n product aantoonbaar veilig is. Dat geldt overigens ook voor medicijnen en chemische stoffen die je oraal kunt binnenkrijgen. Bij de beoordeling van de veiligheid van dergelijke stoffen is een belangrijke overweging of zo’n product veilig gebruikt kan worden voor langere tijd. Het testen van die zogenaamde subchronische blootstelling wordt vaak gedaan door het uitvoeren van een studie met knaagdieren, waarbij het effect van verschillende doseringen van een specifieke stof wordt beoordeeld. In onze onlangs gepubliceerde studie onderzochten we (in samenwerking met o.a. Dr. Misha Vrolijk) of het eigenlijk wettelijk verplicht is om dit type onderzoek te doen om de veiligheid van stoffen aan te tonen?

    Risicobeoordeling
    Zoals ik in verschillende blogs beschreef, is het in Europa gebruikelijk om wetenschappelijk bewijs te vereisen voor een beslissing genomen wordt over de toelating van bijvoorbeeld een nieuw voedingsmiddel of een nieuwe gezondheidsclaim. In dit systeem wordt eerst een wetenschappelijk dossier samengesteld door een organisatie die een nieuw product op de markt wil brengen. Zodra de aanvraag is gedaan bij het instituut dat een nieuw product op de markt kan toestaan, bijvoorbeeld de Europese Commissie als het om voedingsproducten gaat, kan deze organisatie advies vragen aan een wetenschappelijk instituut over de wetenschappelijke onderbouwing van de aanvraag. Voor voedingsproducten worden deze risicobeoordelingen uitgevoerd door de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA). Ook voor geneesmiddelen en chemische stoffen werken de meeste nieuwe toelatingen via dit risicoanalyse systeem, waarbij wetenschappelijk advies wordt gegeven door het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) of het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA).

    Veiligheidsdossiers
    In veiligheidsdossiers worden de effecten van blootstelling aan een stof beschreven door het bewijs dat is verzameld door middel van verschillende studies. Zo wordt het effect van zo’n stof onderzocht in bijvoorbeeld cellen (in vitro onderzoek), met behulp van computermodellen en dierproeven. Eén van die studies is de 90-dagen orale toxiciteitstest. Deze studie wordt met name gebruikt om sub-chronische effecten van blootstelling aan specifieke stoffen te bestuderen.

    Hoewel diermodellen ontzettend belangrijk zijn om voorspellingen te kunnen doen in hoeverre en vooral, in welke dosis een nieuwe stof veilig is, wordt er al jaren ingezet op het terugdringen van het gebruik van dieren voor wetenschappelijk onderzoek (volg bijvoorbeeld deze link voor een samenvatting van Europese activiteiten en wetgeving om het gebruik van dieren te verminderen). En intussen worden er vele nieuwe modellen en onderzoeksmethoden ontwikkeld om bijvoorbeeld subchronische effecten van stoffen te kunnen voorspellen zónder dat je daarvoor diermodellen nodig hebt. Maar wanneer is een nieuwe studieopzet nu goed genoeg om gebruikt te kunnen worden in een veiligheidsdossier? Of is het een   ‘standaardoptie’ geworden van onderzoekers en risicobeoordelaars om een dergelijke 90-dagen orale toxiciteitstest te gebruiken om subchronische blootstellingseffecten te beoordelen?

    De wettelijke verplichtingen
    In onze uitgebreide analyse van Europese wet- en regelgeving voor levensmiddelen, geneesmiddelen en chemische stoffen laten we zien dat het vaak wettelijk verplicht is in een veiligheidsdossier informatie te geven over subchronische, herhaalde blootstelling. Maar het is niet zo vaak een harde eis om deze gegevens te verzamelen met behulp van een 90 dagen durende orale toxiciteitsstudie. En toch lijkt de eis om met effecten van subchronische blootstelling te komen, vaak vertaald te worden in een noodzaak om zo’n studie uit te voeren. Hoewel dit type onderzoek in verschillende richtlijnen (gepubliceerd door risicobeoordelaars) wordt beschreven als onderdeel van de ‘standaard testbatterij’, kun je je afvragen wanneer andere studies – die vergelijkbare (niet exact dezelfde), relevante informatie zouden kunnen bieden – een belangrijke rol kunnen gaan spelen in de ontwikkeling van deze veiligheidsdossiers.

    Ook tonen we in onze analyse aan dat, hoewel die subchronische effecten dus worden onderzocht met een 90-dagen studie, de studie voor verschillende doeleinden gebruikt kan worden volgens adviesdocumenten en wetgeving. Daarin zie je alleen niet terug welke aanpassingen worden verwacht aan de onderzoeksopzet, om deze verschillende doelen van de studie te bereiken. Onze studie was slechts een theoretische analyse van de wetten en adviesdocumenten over het opstellen van veiligheidsdossiers voor stoffen die je oraal kunt innemen: voeding, medicijnen en chemische stoffen. De uitkomsten suggereren alleen wel dat het hoognodig is om de noodzaak van de studie, de doelstellingen en de opzet ervan beter op elkaar af te stemmen. Alleen zo kunnen dierenwelzijn en de inhoud van de veiligheidsbeoordelingsdossiers worden verbeterd.

  • Extra vitaminen, specifieke mineralen (zoals zink), andere stoffen in voeding zoals resveratrol of zogenaamde essentiële oliën: veel verschillende producten worden op dit moment aangeprezen als producten die je ‘immuunsysteem boosten’, ‘versterken’, of waarvan zelfs wordt beweerd dat je ze kunt gebruiken om de symptomen van een COVID-19 infectie te behandelen. Nu zijn enigszins aangedikte of overdreven reclames niet per se iets nieuws, maar op het moment dat een onbekende ziekmaker heerst is het misschien wel extra moeilijk om je hier niet door te laten verleiden.

    Laat me deze blog dan ook direct beginnen met een waarschuwing: er zijn geen voedingsstoffen of voedingsmiddelen die een virusinfectie kunnen voorkomen of genezen! Laat je dus niet verleiden door reclameslogans die te mooi zijn om waar te zijn, maar in deze blog licht ik graag toe voor welke voedingsstoffen wél goedgekeurde gezondheidsclaims te vinden zijn. Vaak zie je beweringen over voeding op voedingssupplementen: een pil of poeder, een zogenaamde geconcentreerde bron van voedingsstoffen die een voedingskundig effect hebben[i]. Zulke supplementen moeten in Nederland (en de rest van Europa) voldoen aan dezelfde wetten en regels als ‘normale’ voedingsmiddelen: zulke producten mogen alleen worden verkocht als ze veilig zijn[ii]. Daarnaast mag je vrijwillige beweringen over de inhoudsstoffen van je product maken (een voedingsclaim) of over de gezondheidseffecten van zo’n voedingsstof (gezondheidsclaim), als zo’n bewering wetenschappelijk onderbouwd is en ook is goedgekeurd voor gebruik op de Europese markt. Hier schreef ik eerder een blog over.

    Maar er zijn twee dingen waar je op moet letten als een voedingsmiddel of -supplement wordt aangeprezen om je immuunsysteem te versterken, of zelfs tegen COVID-19. Allereerst mogen op voedingsproducten geen claims gemaakt worden die impliceren dat voeding een ziekte kan voorkomen, behandelen of zelfs genezen. Juridisch gezien wordt zo’n product daarmee namelijk direct een medicijn: naast producten waarvan is aangetoond dat de actieve stof een ziekte kan voorkomen, behandelen of genezen, worden ook producten die worden gepresenteerd alsof ze dat kunnen beschouwd als geneesmiddelen[iii]. Daarmee ontstaat een duidelijke grens tussen geneesmiddelen en voedingsproducten: gezondheidsclaims over voedingsmiddelen mogen alleen verwijzen naar het behouden of ondersteunen van een lichamelijke functie (zoals het immuunsysteem onderhouden: iedereen heeft een immuunsysteem, maar je kunt de werking ervan wel ondersteunen), of beschrijven hoe een voedingsstof één risicofactor in de ontwikkeling van een ziekte kan verminderen (zoals het verlagen van LDL cholesterolwaarden, waarmee het risico op hart- en vaatziekten wordt verlaagd). En al is dit onderscheid in een reclame misschien niet altijd even duidelijk, voor de wet is dit verschil essentieel. Zo’n claim op voeding mag dus alleen gaan over het ondersteunen van een lichamelijke functie. Zodra je reclames ziet over het voorkómen van COVID-19, moet je op je hoede zijn.

    Ten tweede is het belangrijk om je te realiseren dat voor een claim gebruikt kan worden, er dus wetenschappelijk bewijs moet zijn dat de voedingsstof daadwerkelijk een positief effect heeft. Het moet dus zijn aangetoond dat zo’n nutriënt het immuunsysteem positief beïnvloedt. (Als je meer wilt weten over de werking van het immuunsysteem, of de afweer, kijk dan eens op deze site.) Er zijn op dit moment slechts 12 claims goedgekeurd over voeding en het immuunsysteem: van verschillende voedingsstoffen is aangetoond dat ze bijdragen aan het normaal functioneren van het immuunsysteem (koper, folaat, ijzer, selenium, zink, en de vitaminen A, B6, B12, C en D). Daarnaast is voor vitamine C bewezen dat dit het immuunsysteem ook ondersteunt tijdens en na fysieke inspanning, terwijl voor vitamine D is aangetoond dat dit bijdraagt aan het functioneren van het immuunsysteem van kinderen. Je ziet in de woordkeuze die ik hier gebruik al dat het in al deze claims draait om het ondersteunen van het normaal functioneren van het immuunsysteem: je hebt die voedingsstof dus nodig om je immuunsysteem goed te laten werken, maar het is niet aangetoond dat meer van zo’n stof je immuunsysteem per se verbeterd. Het is dan ook duidelijk dat je met een gebalanceerd, gezond eetpatroon kun je je weerstand al op peil houden en is het niet noodzakelijk om supplementen te nemen.[iv] Besluit je toch supplementen te nemen? Overschrijd dan nooit de voorgeschreven dosering!

    Kortom, het is belangrijk om niet zomaar iets aan te nemen als het draait om voeding en het versterken van je afweer. Onderzoek of een claim is onderbouwd en zo niet, gebruik dan je gezonde verstand! Zie je een claim die te mooi is om waar te zijn? Meld zo’n misstand dan via de NVWA!


    [i] Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 10 juni 2002 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen.

    [ii] Verordening (EG) Nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden.

    [iii] Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik.

    [iv] Voedingscentrum (2020). Coronavirus & voeding. Beschikbaar op https://www.voedingscentrum.nl/nl/thema/coronavirus-voeding.aspx

  • Op het moment van schrijven van deze blog zitten we in Nederland al enkele weken in een slimme of targeted lockdown om het Coronavirus en de daardoor veroorzaakte ziekte COVID-19 te bestrijden: iedereen wordt zoveel mogelijk opgeroepen om thuis te blijven, en als je al naar buiten gaat, dat alleen te doen. Maar in andere landen worden andere maatregelen genomen, variërend van het oproepen om je gezonde verstand te gebruiken als je naar buiten gaat (zoals in Zweden) tot een totale lockdown van het hele land, wat in onder meer Spanje wordt toegepast. En dat terwijl iedereen gebruik maakt van hetzelfde wetenschappelijke bewijs. Hoe komen al die landen dan toch tot andere besluiten?

    Daarvoor moeten we allereerst in de wereld van de evidence based beslissingen duiken. De term zegt het al: volgens dit principe moet er bewijs zijn, vóór je ergens een beslissing over neemt. En dan gaat het niet over je eigen ervaring, of over een mening van iemand anders om te beslissen of je iets wel of niet gaat doen. Dan hebben we het over het systematisch en rationeel gebruiken van de best beschikbare wetenschappelijke bewijsvoering[i]. Dat betekent dat je wetenschappelijke studies van de hoogste kwaliteit daarin het belangrijkst vindt, zodat die studies het meeste gewicht krijgen bij het nemen van je beslissing. Zo kan een wetenschappelijk artikel waarin een casus van één patiënt wordt beschreven bijvoorbeeld wel nuttige informatie opleveren, maar hecht men meer waarde aan de uitkomst van een systematische review, waarin resultaten van allerlei studies met grote groepen patiënten zijn samengevat[ii].

    Voor onder andere gezondheidsrisico’s en -voordelen van voeding is het zelfs wettelijk verplicht om evidence based beslissingen de basis te laten zijn voor besluiten: de Algemene Levensmiddelenverordening schrijft voor dat dit wetenschappelijk bewijs noodzakelijk is om het hoge niveau van consumentenbescherming te behalen. Daarom wordt in diezelfde verordening benoemd dat beslissingen gemaakt worden op basis van het zogenaamde risicoanalyse-principe: de wetenschappelijke bewijsvoering, de risicobeoordeling, wordt uitgevoerd door wetenschappers die onafhankelijk zijn van de politici die uiteindelijk een beslissing moeten nemen over het beleid, de zogenaamde risicomanagers. Hierbij mogen de risicomanagers eventueel andere overwegingen meenemen in hun beslissing, bijvoorbeeld andere mogelijke gevolgen voor de publieke gezondheid van zo’n beslissing. Dit zie je onder meer terug bij de beoordeling van gezondheidsclaims: een claim wordt ingediend door een bedrijf bij een lidstaat, dat het doorzet naar de Europese Commissie. Die vraagt vervolgens de Europese Voedselveiligheidsautoriteit EFSA om de wetenschappelijke basis van die claim te onderzoeken. Voor deze risicobeoordeling worden onafhankelijke wetenschappers, experts op het gebied van de voorgestelde claim, gevraagd om het ingediende dossier kritisch te bekijken. Zij beoordelen onder meer of de claim goed is onderzocht en of het dossier compleet is. Het advies van deze onafhankelijke wetenschappers wordt gepubliceerd in een zogenaamde opinie. Hoewel dit geen juridisch bindend document is, is dit advies wel de basis voor de Europese Commissie om uiteindelijk een claim al dan niet toe te staan. Maar waar de risicobeoordelaar alleen kijkt naar de onderbouwing van de claim, kan de risicomanager ook andere gevolgen van een beslissing meenemen: het is bijvoorbeeld wetenschappelijk onderbouwd dat cafeïne alertheid verhoogd, maar dergelijke claims kunnen niet worden gemaakt op cafeïne houdende producten omdat dit mogelijk de consumptie van ongezonde energiedrankjes, waar ook veel suiker in zit, zou kunnen stimuleren.

    Terug naar COVID-19. We hebben het hier natuurlijk niet over beslissingen over risico’s en gezondheidseffecten van voeding, maar ook hier draait het om beslissingen nemen op basis van wetenschappelijk bewijs. En terwijl landen hetzelfde wetenschappelijke bewijs gebruiken, komen ze dus toch tot andere maatregelen. In Nederland is het RIVM (en het samengestelde Outbreak Management Team) de risicobeoordelaar, die de wetenschappelijke kennis over de ziekte en diens verspreiding verzamelt en interpreteert. De Nederlandse overheid gebruikt die kennis en informatie om maatregelen op te stellen, waarbij ze ook rekening houdt met andere factoren. En vooral bij die tweede stap, dat risicomanagement waarin besloten wordt hoe met de wetenschappelijke kennis om te gaan, daar ontstaan verschillen tussen landen. Overheden proberen de maatregelen zo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de situatie in hun land, natuurlijk wat betreft de gezondheid en gezondheidszorg, maar ook kijkend naar bijvoorbeeld de economische situatie. Op die manier wapent elk land zich zo goed mogelijk tegen de crisis. 


    [i] Dieter Burssens (2007). Hoe evident is evidencebased beleid? Alert: Tijdschrift voor Sociaal werk en politiek 33(3), pg 51-63.

    [ii] Patricia B. Burns, Rod J. Rohrich, Kedvin C. Chung (2011). The Levels of Evidence and their role in Evidence-Based Medicine. Plast Reconstr Surg 128(1), pg 305-310.  Een Nederlandstalige toelichting op deze systematiek is te lezen via eupati.eu

  • (Geen) vlees

    De Nationale Week Zonder Vlees is weer van start! Voor veel mensen is vlees een vast onderdeel van hun avondmaaltijd en ook op veel Nederlandse boterhammen vind je vleeswaren. Maar je kunt vlees natuurlijk prima vervangen. Misschien doen we dat in de toekomst met lab-gekweekt vlees, maar voorlopig liggen er vooral vleesvervangers in de schappen. Maar hoe mag je die nu eigenlijk noemen?

    Als je een dagje geen vlees wilt eten, kun je in bijna iedere supermarkt tegenwoordig vleesvervangers kopen. Deze vleesvervangers worden vaak gemaakt van plantaardige eiwitbronnen zoals soja, bonen, noten of kikkererwten en lijken steeds meer op vlees, zowel qua smaak, textuur als uiterlijk. Maar kun je in de toekomst zo’n bonenburger nog wel gemakkelijk vinden, of moet je op zoek naar een bonenschijf? En gaat een plantaardig worstje voortaan vegetarische rol heten? Dat is maar de vraag: er is veel discussie in Europa welke namen nu gebruikt mogen worden voor dierlijke of juist plantaardige producten.

    Dat komt doordat er voor sommige producten Europese afspraken gemaakt zijn hoe ze genoemd mogen worden. In de wet is bijvoorbeeld gedefinieerd wat vlees is, net zoals dat voor melk het geval is. Hierbij wordt onder andere benoemd dat deze producten van dierlijke origine zijn. En op basis van deze definities is een lijst gemaakt, die in de bijlage van de wet is beschreven, met alle benamingen die gegeven mogen worden aan zulke producten.[i] Dat die lijst dan ook alleen geldt voor dierlijke producten, werd voor zuivel duidelijk in 2017. Het Europese Hof deed uitspraak in de zaak over het gebruik van zuivelnamen die op deze lijst terug te vinden zijn, zoals ‘melk’, ‘kaas’ of ‘yoghurt’ en of die termen gebruikt mogen worden op plantaardige varianten van zuivel. In haar uitspraak beschreef het Hof dat de beschermde benamingen alleen gelden voor dierlijke zuivelproducten. Als er geen officiële uitzondering is gemaakt, wordt het gebruik van deze termen op andere producten gezien als misleidend en dus illegaal. Omdat in de wet dus vaststaat dat deze benamingen gereserveerd zijn voor dierlijke producten, koop je tegenwoordig geen havermelk meer, maar haverdrank.[ii]

    In Nederland leidde deze uitspraak tot een discussie of ook vleesvervangers met vlees-achtige namen (denk bijvoorbeeld aan vegetarische kip) niet meer mochten verwijzen naar vlees. Is het misleiding als je verwijst naar vlees dat helemaal niet van dierlijke ingrediënten is gemaakt? De NVWA besloot uiteindelijk geen actie te ondernemen. Dit terwijl ook voor een aantal vleesproducten is vastgelegd wat de verkoopbeschrijving mag zijn, maar die lijst is een stuk minder specifiek. Eerder onderzoek naar deze verschillen tussen de zuivel- en vleessector beschreef dat de zuivelsector dan ook iets strenger wordt gereguleerd dan de vleessector: er zijn meer beschrijvingen voor zuivelproducten exclusief gereserveerd voor dierlijke producten, dan dat het geval is voor vleesproducten.[iii]

    In april 2019 stelde een commissie van Europese Parlementsleden voor om de wet aan te passen: beschrijvingen voor vlees zouden alleen nog maar voor dierlijke producten moeten gelden. Dit voorstel heeft op dit moment nog niet tot een wijziging van de wet geleid, maar het zou zomaar kunnen dat vleesvervangers in de toekomst anders genoemd moeten worden om maar niet op vlees te lijken. Of dat terecht is, dat valt een beetje te betwijfelen. Aan de ene kant moet een consument natuurlijk beschermd worden tegen valse informatie, wat het geval zou zijn als een plantaardig product zich voordoet als dierlijk product. Maar als er duidelijk bij vermeld wordt dat een product vegetarisch of veganistisch is en dus van plantaardige ingrediënten is gemaakt, mag je dan niet aannemen dat iedereen begrijpt dat het geen vlees is? Is het duidelijk genoeg dat een vleesvervanger, met een misschien wel vergelijkbare naam, geen vlees is? Er is tot nu toe nog maar weinig onderzoek gedaan naar hoe we hier in de supermarkt echt naar kijken. De discussie lijkt voorlopig nog niet afgelopen.


    [i] T Bailey (2018). Dare Not To Dairy. Beschikbaar op https://services.rabobank.com/publicationservice/download/publication/token/tRJL6VMr6xTTT5eFd6m0

    [ii] Verordening (EU) Nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten. http://data.europa.eu/eli/reg/2013/1308/2019-01-01

    [iii] I Carreño & T Dolle (2018). Tofu Steaks? Developments on the Naming and Marketing of Plant-based Foods in the Aftermath of the TofuTown Judgement. European Journal of Risk Regulation, 9(13), 575–584
    D Pisanello & L Ferraris (2018). Ban on Designating Plant Products as Dairy: Between Market Regulation and Over-Protection of the Consumer. European Journal of Risk Regulation, 9(1), 170–176.

    Photo by Shelley Pauls on Unsplash

  • Vers van het land! Vers gebakken! Je hoort het over allerlei voedingsproducten en waarschijnlijk zie je het vaak op verpakkingen voorbijkomen: dit product is vers! Maar wat betekent die term eigenlijk? En welke zekerheid heb je dan als consument? In dit blog nemen nemen Ilse van Lier en ik je mee naar de wet- en regelgeving achter deze terminologie. Of beter gezegd: naar het gebrek daar aan!

    Het programma Broodje Gezond! besteedde er afgelopen voorjaar ook aandacht aan. Je kunt op zo veel verschillende levensmiddelen lezen dat ze vers zijn, dat je je bijna niet voor kunt stellen dat ’vers’ altijd hetzelfde betekent. Want een versgebakken brood dat nog warm in de vitrine gelegd is bij de bakker, kan toch niet even ‘vers’ zijn als een appel die in de supermarkt ligt? Voor veel consumenten is de term ‘vers’ een kwaliteitsindicatie. Mensen verwachten dat het product waar ‘vers’ op staat lekkerder is, langer houdbaar is of blijft, of dat het product zelfs gezonder is[i].

    Voedselkeuze
    Verschillende studies naar aankoopbeslissingen door consumenten laten zien dat voedselkeuzes bepaald worden door de smaak, de gezondheid en de prijs van een product. Maar bovenal is de kwaliteit of versheid van een product het belangrijksti,[ii],[iii]. En wat is ‘vers’ dan? Uit consumentenonderzoek blijkt dat mensen die de versheid van een appel beoordelen, vooral letten op smaak, knapperigheid en sappigheidi. En hoewel je bij brood ook bepaalde verwachtingen zult hebben bij de textuur van een vers of juist van een oud brood, is ‘sappig’ niet iets relevants om de versheid van een brood te beoordelen. Voor brood wordt versheid voornamelijk bepaald door geur, de knapperigheid van de korst en de samenhang van de kruim. Dus of er niet te veel gaten in het brood zitten of dat het te snel uit elkaar valt. Onderzoek laat dan ook zien dat er voor verschillende typen producten verschillende verwachtingen bestaan als de term ‘vers’ gebruikt wordti.

    Onbehandeld
    Over het algemeen zie je dat de term ‘vers’ vaak wordt gebruikt voor onbehandelde producten. Die zijn die niet of nauwelijks bewerkt met conserveringsmethoden of -middelen. Daarbij maakt de voedingsmiddelenindustrie wel een uitzondering voor producten die (langdurig) zijn gekoeld of ingevroren. Deze koelings- en invriesprocessen veranderen nauwelijks iets aan de voedingswaarden, terwijl het welk noodzakelijke processen zijn om die producten in goede staat op ons bord te krijgen. Denk maar eens aan vis die in de oceaan wordt gevangen, de mango’s uit Zuid-Amerika of kiwi’s uit Nieuw-Zeeland. En de groenten in het vriesvak van de supermarkt natuurlijk. Dankzij het snelle koelen of invriezen van producten blijven de textuur, de smaak en de voedingsstoffen behouden. Ook kan het voor de veiligheid van het product nodig zijn om het te bewerken. Zo is verse melk is niet rauw, maar wordt het gepasteuriseerd (kort verhit) om bacteriën te doden.

    Gebrek aan regels
    Maar hoewel veel termen die gebruikt worden op verpakkingen van voeding inderdaad gebonden zijn aan specifieke wet- en regelgeving (zo schreef ik eerder over allergenen en voedings- en gezondheidsclaims), zijn er weinig regels voor het gebruik van het woord ‘vers’. Er is amper Europese wet- en regelgeving over ‘vers’, en ook de Nederlandse Warenwet heeft geen aanvullende eisen aan het gebruik van de term[iv]. Er zijn geen algemene regels die voorschrijven hoe lang een product in de schappen mag liggen voordat het niet meer vers genoemd mag worden, of wanneer het geproduceerd of geoogst moet zijn om het nog als vers te bestempelen. En dat betekent dat winkeliers en bedrijven producten bijna altijd als ‘vers’ mogen promoten.

    ‘Verse vis’ is lang niet altijd net daarvoor gevangen. Terwijl je vaak achterop op het etiket kunt lezen dat de vis ingevroren is geweest, mag zulke vis wel als ‘vers’ worden aangeprezen. En ‘versgeperst sap’ kan evengoed geperst zijn van fruit dat na het plukken is ingevroren, vervolgens geperst en daarna verpakt.

    Wetgeving aanpassen
    In heel Europa lopen mensen tegen dit gebrek aan regels voor ‘vers’ aan. Er zijn een aantal positieve uitzonderingen: zo zijn in Denemarken en Engeland specifieke richtlijnen beschreven voor het gebruik van de term ‘vers’ en vind je in de Europese Verordening (EC) No 853/2004, waarin hygiënevoorschriften zijn vastgesteld voor voeding van dierlijke producten, enkele specificaties voor verse visproducten en vlees.

    Maar dit gebrek aan regels is één van de redenen geweest voor de Europese Consumentenbond BEUC om in 2018 een rapport uit te brengen waarin verschillende twijfelachtige praktijken over het aanprijzen van voedingsproducten aan de kaak gesteld worden. En hoewel dit rapport (nog) niet heeft geleid tot verdere aanpassingen aan huidige wet- en regelgeving, laat het wel zien dat overheden nadenken over manieren om misleiding door valse beloftes te voorkomen. Maar vóór de huidige wetgeving überhaupt kan worden aangepast, is het belangrijk om het verschil te verhelderen tussen wetenschappelijk onderbouwde termen en marketingtechnieken. Het zou voor iedereen duidelijk moeten zijn waar welke uitspraken aan moeten voldoen.

    Hoe kun je dan beoordelen of een vers voedingsmiddel ook voldoet aan je verwachtingen? Op het etiket van voorverpakte voedingsproducten kun je zelf al veel informatie vinden, bijvoorbeeld of het is ingevroren voordat het product in het schap is beland. Als een product een houdbaarheidsdatum ver in de toekomst heeft, kun je je afvragen of het wel ‘vers’ te noemen is. Soms kun je op bepaalde producten (brood, of vlees en kaas van de versafdeling of de markt) ook lezen wanneer het verpakt is. Die informatie vertelt ook meer over de versheid. En als je zo vers mogelijk wilt eten, kun je kijken welke soorten seizoensfruit en -groenten er in de winkel liggen als je boodschappen doet.

    Laat me je wel geruststellen als je denkt dat alleen verse voedingsproducten genoeg gezonde inhoudsstoffen bevatten. Als bijvoorbeeld fruit snel genoeg is ingevroren of in blik of pot is verpakt, bevat het ongeveer evenveel voedingsstoffen als de verse varianten[v],[vi],[vii]. Maar blijf kritisch naar de verpakking en het product kijken als je (bijna) wordt verleid om een ‘vers’ product te kopen!


    [i] Péneau S., Hoehn E., Roth H.-R., Escher F., Nuessli J. (2006). Importance and consumer perception of freshness of apples. Food Quality and Preference 17(1-2), 9-19.
    [ii] Lappalainen R., Kearny J., Gibney M. (1998). A pan EU survey of consumer attitudes to food, nutrition and health: an overview. Food Quality and Preference 9(6), 467-478.
    [iii] Lennernäs M., Fjellström C., Becker W., Giachetti I., Schmitt A., Remaut deWinter A. M. (1997). Influences on food choice perceived to be important by nationally-representative samples of adults in the European Union. European Journal of Clinical Nutrition 51(S2), 8-155.
    [iv] Voedingscentrum (2019). Betekent vers dat een product kort tevoren is gemaakt? Beschikbaar via  https://www.voedingscentrum.nl/nl/service/vraag-en-antwoord/eten-kopen-en-keurmerken/betekent-vers-dat-een-product-kort-tevoren-is-gemaakt.aspx
    [v] Voedingscentrum (2019). Is vers fruit gezonder dan fruit uit pot, blik of vriezer? Beschikbaar via https://www.voedingscentrum.nl/nl/service/vraag-en-antwoord/gezonde-voeding-en-voedingsstoffen/is-vers-fruit-gezonder-dan-fruit-uit-pot-blik-of-vriezer-.aspx
    [vi] Rickman, J. C., Barrett, D. M., Bruhn, C.M. (2007). Nutritional comparison of fresh, frozen and canned fruits and vegetables. Part 1. Vitamins C and B and phenolic compounds. Journal of the Science of Food and Agriculture 87(6), 930-944.
    [vii] Rickman, J. C., Bruhn, C.M., Barrett, D. M. (2007). Nutritional comparison of fresh, frozen and canned fruits and vegetables II. Vitamin A and carotenoids, vitamin E, minerals and fiber. Journal of the Science of Food and Agriculture 87(7), 1185-1196.

  • Afgelopen maand was ik op vakantie in de prachtige omgeving van Málaga, Spanje. Tijdens het uitvoerig bestuderen van de kaart toen we uit eten gingen, viel mijn oog op een statement op die menukaart: informatie over allergenen kon bij het personeel ingewonnen worden. En in de ijszaak waar we een paar dagen later een overheerlijke snack haalden, waren op een poster op de muur allerlei symbooltjes te zien die mogelijke allergenen in het ijs voorstelden. Waarom allergenen op deze verschillende manieren worden afgebeeld, vertel ik je graag in deze blog.

    Natuurlijk zie je niet alleen in Spanje de vermelding van allergenen in horecazaken. Ook in Nederland vind je op de menukaart welke allergenen in een gerecht zitten, of kun je een algemeen statement lezen op de menukaart zoals in het Spaanse restaurant gedaan was. Er is namelijk een Europese verordening[i] die regelt welke informatie gegeven moet worden op een etiket (zoals de voedingswaarde informatie), waarin ook is bepaald welke allergenen op een etiket of in een horecazaak vernoemd moeten worden. Er zijn nog wel wat verschillen in wat Europese lidstaten precies willen zien op het etiket als het gaat om  niet voorverpakt voedsel: sommige lidstaten vinden het goed genoeg als de informatie ergens terug te vinden is, in andere lidstaten moet het per se op papier in het restaurant beschikbaar zijn of moeten. Omdat het toegestaan is om naast deze Europese regels ook nog landelijke wetgeving over allergenen in te voeren, is het in sommige landen zelfs verplicht meer informatie te geven.

    In de Europese verordening worden in totaal 14 allergenen genoemd waarover informatie beschikbaar moet zijn op een etiket of in een restaurant. Het gaat dan om de 14 belangrijkste voedingsmiddelen die allergische reacties kunnen veroorzaken, bijvoorbeeld omdat allergische reacties door zo’n product vaak voorkomen, of omdat zulke voedingsmiddelen vaak verwerkt worden in andere producten of gerechten. Zo moet in een restaurant onder andere vermeld worden of er eieren, vis, glutenbevattende granen, noten of producten op basis van deze vier voedingsmiddelen  in een gerecht zitten.

    IMG_1244
    Creatieve vermelding van alle allergenen in de ijszaak…

    Waarom pakken verschillende bedrijven – in dit geval horecazaken – het dan zo verschillend aan? In sommige restaurants kun je direct achter de verschillende gerechten lezen welke allergenen er in een gerecht zitten. In andere zaken moet je informatie vragen over gerechten voor je precies weet wat er in zit. Er is namelijk geen verplichting gesteld aan hoe een consument informatie kan krijgen over allergene stoffen, in de Europese verordening staat alleen dat deze informatie beschikbaar moet zijn. Het kan dus zijn dat een medewerker in een horecazaak de exacte informatie mondeling geeft, al is het restaurant verplicht om de specificaties ergens beschikbaar te hebben. Sommige restaurants vinden het prettiger als een klant zelf de moeite neemt om te vragen naar de allergene stoffen, zodat men in de keuken direct weet dat er extra goed opgelet moet worden.

    Een belangrijk principe in deze verordening is dat de consument zelf verantwoordelijk is om een restaurant te informeren over zijn of haar allergieën. In een horecazaak komen per dag immers zo veel mensen, dat niet iedere klant gevraagd kan worden of hij of zij ergens allergisch voor is. Als je het personeel niet hebt geïnformeerd, kun je als klant nooit een juridische zaak aanspannen als je last hebt gekregen van een allergie. Eigenlijk roept een restaurant je met een vermelding op de menukaart ook op om je allergie te bespreken met het personeel!

    Wat nu als je ergens anders allergisch voor bent dan voor een van deze veertien allergene stoffen? Er zijn immers meer allergenen dan deze veertien. In dat geval kan het voor personeel in de horeca best lastig zijn om precies te weten of de stof waar jij allergisch voor bent, in het eten zit. Maar vaak kan een kok je precies vertellen hoe hij of zij de maaltijd gaat bereiden. Veel mensen met allergieën nemen dan ook vooraf contact op met een restaurant om er zeker van te zijn dat ze ook van een lekkere maaltijd kunnen genieten!

    Dankzij Europees levensmiddelenrecht kunnen alle Europese horecazaken sinds december 2014 inzicht geven in de veertien belangrijkste allergene stoffen, als die in hun gerechten voorkomen. En dat statement op de menukaart, een hulpmiddel voor zowel consumenten als het horecapersoneel, zal je dan ook in heel Europa tegen kunnen komen!


    [i] Regulation (EU) No 1169/2011 of the European Parliament and of the Council of 25 October 2011 on the provision of food information to consumers, amending Regulations (EC) No 1924/2006 and (EC) No 1925/2006 of the European Parliament and of the Council, and repealing Commission Directive 87/250/EEC, Council Directive 90/496/EEC, Commission Directive 1999/10/EC, Directive 2000/13/EC of the European Parliament and of the Council, Commission Directives 2002/67/EC and 2008/5/EC and Commission Regulation (EC) No 608/2004. Official Journal of the European Union L 304, pg 18-63.

  • Vorige week verscheen een opiniestuk over het eten van kweekvlees op nrc.nl. De schrijver geeft aan dat inspecteurs van de Nederlandse Voedsel en Warenautoriteit (NVWA), op aangeven van het ministerie van Volksgezondheid, tijdens een diner niet toestonden dat kweekvlees gegeten zou worden. Hij vindt het zonde dat niemand in Nederland nu kweekvlees mag proeven, terwijl het zo’n duurzaam, creatief en innovatief alternatief is voor reguliere vleesproducten. En waar er vanuit Nederland zoveel is geïnvesteerd in de ontwikkeling van kweekvlees, zou de actie van de NVWA en het ministerie de deur dichtgooien voor het op de markt brengen van kweekvlees. In deze blog wil ik toelichten waarom de gestarte petitie zich volgens mij alleen niet zou moeten richten op de NVWA, maar op de ontwikkelaars van kweekvlees.  

    Waarom lieten de inspecteurs van de NVWA het kweekvlees op het menu niet uitserveren? De inspecteurs hadden weinig keus: in heel Europa is de ‘novel food’-verordening van kracht, waar ik eerder een blog over schreef. Deze wet bepaalt dat vóór een nieuw voedingsmiddel op de markt gebracht mag worden, eerst aangetoond moet worden dat het voor mensen veilig is om zo’n product te consumeren[i]. Daarvoor is één keer proberen en er niet ziek van worden niet genoeg: een aanvrager moet een dossier samenstellen, waaruit blijkt dat het nieuwe voedingsmiddel geen veiligheidsrisico veroorzaakt. Er moet in kaart worden gebracht wat de risico’s op toxiciteit zijn, de voedingswaarde moet bepaald worden en allergenen moeten onderzocht zijn. Aangezien kweekvlees onder een van de tien specifieke categorieën van deze Europese wet valt (het is een levensmiddel geproduceerd uit een celcultuur of weefselkweek), wordt een wetenschappelijk dossier met deze gegevens vereist. Dit dossier wordt vervolgens bestudeerd door wetenschappers binnen de Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid, EFSA. Zij geven op basis van hun zogenaamde risicoanalyse een advies aan de Europese Commissie om het nieuwe product wel of niet toe te staan op de Europese markt.

    Niemand kan natuurlijk garanderen dat ieder voedingsproduct altijd 100% veilig is voor elke consument, daarin spelen ook andere zaken mee zoals bijvoorbeeld de manier van bewaren of bereiden[ii]. Maar het is wel belangrijk dat zo’n consument er met redelijke zekerheid van uit kan gaan dat hij of zij geen schade oploopt als je het ‘beoogde gebruik’ volgt: als je het een voedingsmiddel goed bewaart en bereid en je bent zelf verder gezond, zou je geen risico moeten lopen van het eten van zo’n product. In Europa is strenge wet- en regelgeving gemaakt rondom voedselveiligheid, mede door de grote voedselschandalen in de jaren ’90. Om consumenten te beschermen tegen onveilige producten, staat de bewijsvoering centraal in levensmiddelenrecht: eerst moet aangetoond worden dat iets veilig is, pas dan kan het op de markt gebracht worden.

    Het oproepen van lezers en geïnteresseerden om een petitie te tekenen om de NVWA in beweging te krijgen, is te gemakkelijk. Het is immers niet de verantwoordelijk van de NVWA om aan te tonen dat kweekvlees veilig is, zij zijn verantwoordelijk voor het uiteindelijk controleren van zulke producten als ze op de markt zijn. Zorg dat er geïnvesteerd wordt in tijd en mogelijkheden voor de ontwikkelaars en onderzoekers om de veiligheid van producten goed te testen. En hoewel het proeven van een stukje kweekvlees op eigen risico misschien leuk, spannend en hopelijk lekker is, beginnen deze veiligheidstesten toch echt in het lab en niet tijdens een diner.


    [i] European Parliament and Council of the European Union. (2015). Regulation (EU) 2015/2283 of the European Parliament and of the Council of 25 November 2015 on novel foods, amending Regulation (EU) No 1169/2011 of the European Parliament and of the Council and repealing Regulation (EC) No 258/97 of the European Parliament. Official Journal of the European Union L327, 1–22.

    [ii] De Boer & Bast 2018. Demanding safe foods – Safety testing under the novel food regulation (2015/2283). Trends in Food Science & Technology 72, pg 125-133.

  • Binnen het Food Claims Centre Venlo doen we onderzoek naar, what’s in a name, voeding en levensmiddelenrecht, zoals het bestuderen van gezondheidsclaims of veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen. Maar bij onderzoek doen naar het effect van voeding op de gezondheid en hoe dit wettelijk geregeld is, kijken we ook naar producten die misschien wel meer kunnen doen of meer beloven dan ‘normale’ voedingsmiddelen, zoals functional foods, nutraceuticals of voedingssupplementen. Maar zijn dit nog wel voedingsmiddelen, of hebben we het dan eigenlijk over medicijnen? Wanneer valt een product in de ene of de andere categorie, en waarom maken we dat onderscheid eigenlijk?

    Vroeger werd voeding voornamelijk gebruikt om honger te voorkomen. Maar dankzij technologische en economische ontwikkelingen is de laatste paar decennia steeds meer aandacht gekomen voor de rol van voeding in het behouden en verbeteren van gezondheid [i],[ii]. De definitie van voeding is in de Europese wet voor voedingsmiddelen van 2002 vastgelegd, waarbij alles wat bestemd is voor consumptie door mensen, of waarvan je kunt verwachten dat het dor mensen wordt geconsumeerd, gezien wordt als een ‘levensmiddel’ of ‘voedingsmiddel’[iii]. Europese regelgeving rondom medicijnen maakt in de definitie van een medicijn een onderscheid: een product is een medicijn als het de functie heeft om een ziekte te diagnosticeren of functies te verbeteren, maar ook als het gepresenteerd wordt als een product om een ziekte te voorkomen of genezen[iv]. Omdat deze regels ‘wederzijds exclusief’ zijn, kan een product nooit gelijktijdig onder beide wetten vallen. Bij twijfel zal een product altijd gereguleerd worden onder farmaceutische wetgeving[v]. Zodra over een product dus gecommuniceerd wordt dat het gebruikt kan worden om van een ziekte te genezen, valt het automatisch onder de Europese definitie van een medicijn.

    Of een product een medicijn is of een voedingsmiddel, heeft vervolgens ook consequenties voor wat je er over de te verwachten effecten mag vertellen. Voordat je over een medicijn mag beweren dat het als behandeling van een ziekte gebruikt mag worden, moet je zowel de veiligheid van het medicijn als het effect aantonen met behulp van klinische studies met patiënten[v]. Voor voeding geldt dat aangenomen wordt dat de meeste voedingsstoffen veilig zijn, alleen nieuw geïntroduceerde voedingsmiddelen worden hierop gecontroleerd. Maar voor het gebruikt mag worden om een voedingsmiddel aan te prijzen, moeten positieve gezondheidseffecten van die stoffen of producten ook eerst aangetoond worden[vi].

    Tegenwoordig kun je allerlei producten vinden die niet echt op een voedingsmiddel of een medicijn lijken, maar in het grijze gebied hier tussen lijken te vallen. Dit worden ook wel ‘borderline products’ genoemd.  Zo kun je in de supermarkt ‘functionele voedingsmiddelen’ vinden[vii]: voedingsmiddelen die nét iets gezonder zijn dan hun ‘normale’ tegenhanger, omdat er een ingrediënt is uitgehaald of juist een voedingsstof is toegevoegd. Denk maar aan een pakje boter met plantsterolen, of producten met extra voedingsvezels. Maar functionele voedingsmiddelen lijken nog wel op gewone voedingsproducten. Een voedingssupplement ziet er al wat anders uit: een geconcentreerde bron van één of meerdere voedingsstoffen, vaak in de vorm van een pil, wordt vaak gebruikt om bepaalde voedingsstoffen in het dieet in te vullen. (Over voedingssupplementen schreef ik eerder deze blog.) De term nutraceuticals wordt vaak gebruikt voor producten die zogenaamde bioactieve ingrediënten bevatten (bijvoorbeeld specifieke antioxidanten) en welke daardoor positieve en ‘medicijn-achtige’ effecten hebben op de gezondheid. En zo heb je nog allerlei (loze) marketingtermen voor en over voedingsmiddelen, denk maar aan superfoods, die geen wettelijke betekenis hebben maar wel allemaal impliceren dat het product niet alleen maar de klassieke functie heeft van voeding (het voorkomen van honger), maar meer doet dan dat[viii].

    Is het dan erg dat er allerlei producten op de markt komen die bijna in een grijs gebied tussen voeding en medicijnen vallen? Op zich niet natuurlijk: blijkbaar is er vraag naar voedingsmiddelen en producten die meer voor je gezondheid kunnen betekenen. Zolang er maar geen verwachtingen worden geschept die niet waargemaakt kunnen worden en het voor jou als consument altijd duidelijk is wat je eigenlijk koopt: een voedingsmiddel of een medicijn?

     


     

    [i] Georgiou NA, Garssen J, Witkamp RF (2011). Pharma-nutrition interface: The gap is narrowing. Eur J Pharmacol 651:1-8.

    [ii] Bigliardi B, Galati F (2013). Innovation trends in the food industry: The case of functional foods. Trends Food Sci Technol 31:118-129.

    [iii] Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden.

    [iv] Richtlijn 2004/27/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot wijziging van Richtlijn 2001/83/EG tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik.

    [v] Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik.

    [vi] de Boer A, Vos E, Bast A (2014). Implementation of the nutrition and health claim regulation – The case of antioxidants. Reg Tox Phar 68(3):475-487.

    [vii] Jones PJH, Asp N-G, Silva P (2008). Evidence for health claims on foods: how much is enough? Introduction and general remarks. J. Nutr. 138:1189S–1191S

    [viii] De Boer A (2015). Interactions between nutrition and medicine in effect and law. MultiCopy Parkstad: Kerkrade.