Veiligheidstesten voor nieuwe stoffen

Voordat een nieuw voedingsmiddel op de markt komt, wordt vereist dat zo’n product aantoonbaar veilig is. Dat geldt overigens ook voor medicijnen en chemische stoffen die je oraal kunt binnenkrijgen. Bij de beoordeling van de veiligheid van dergelijke stoffen is een belangrijke overweging of zo’n product veilig gebruikt kan worden voor langere tijd. Het testen van die zogenaamde subchronische blootstelling wordt vaak gedaan door het uitvoeren van een studie met knaagdieren, waarbij het effect van verschillende doseringen van een specifieke stof wordt beoordeeld. In onze onlangs gepubliceerde studie onderzochten we (in samenwerking met o.a. Dr. Misha Vrolijk) of het eigenlijk wettelijk verplicht is om dit type onderzoek te doen om de veiligheid van stoffen aan te tonen?

Risicobeoordeling
Zoals ik in verschillende blogs beschreef, is het in Europa gebruikelijk om wetenschappelijk bewijs te vereisen voor een beslissing genomen wordt over de toelating van bijvoorbeeld een nieuw voedingsmiddel of een nieuwe gezondheidsclaim. In dit systeem wordt eerst een wetenschappelijk dossier samengesteld door een organisatie die een nieuw product op de markt wil brengen. Zodra de aanvraag is gedaan bij het instituut dat een nieuw product op de markt kan toestaan, bijvoorbeeld de Europese Commissie als het om voedingsproducten gaat, kan deze organisatie advies vragen aan een wetenschappelijk instituut over de wetenschappelijke onderbouwing van de aanvraag. Voor voedingsproducten worden deze risicobeoordelingen uitgevoerd door de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA). Ook voor geneesmiddelen en chemische stoffen werken de meeste nieuwe toelatingen via dit risicoanalyse systeem, waarbij wetenschappelijk advies wordt gegeven door het Europees Geneesmiddelenagentschap (EMA) of het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA).

Veiligheidsdossiers
In veiligheidsdossiers worden de effecten van blootstelling aan een stof beschreven door het bewijs dat is verzameld door middel van verschillende studies. Zo wordt het effect van zo’n stof onderzocht in bijvoorbeeld cellen (in vitro onderzoek), met behulp van computermodellen en dierproeven. Eén van die studies is de 90-dagen orale toxiciteitstest. Deze studie wordt met name gebruikt om sub-chronische effecten van blootstelling aan specifieke stoffen te bestuderen.

Hoewel diermodellen ontzettend belangrijk zijn om voorspellingen te kunnen doen in hoeverre en vooral, in welke dosis een nieuwe stof veilig is, wordt er al jaren ingezet op het terugdringen van het gebruik van dieren voor wetenschappelijk onderzoek (volg bijvoorbeeld deze link voor een samenvatting van Europese activiteiten en wetgeving om het gebruik van dieren te verminderen). En intussen worden er vele nieuwe modellen en onderzoeksmethoden ontwikkeld om bijvoorbeeld subchronische effecten van stoffen te kunnen voorspellen zónder dat je daarvoor diermodellen nodig hebt. Maar wanneer is een nieuwe studieopzet nu goed genoeg om gebruikt te kunnen worden in een veiligheidsdossier? Of is het een   ‘standaardoptie’ geworden van onderzoekers en risicobeoordelaars om een dergelijke 90-dagen orale toxiciteitstest te gebruiken om subchronische blootstellingseffecten te beoordelen?

De wettelijke verplichtingen
In onze uitgebreide analyse van Europese wet- en regelgeving voor levensmiddelen, geneesmiddelen en chemische stoffen laten we zien dat het vaak wettelijk verplicht is in een veiligheidsdossier informatie te geven over subchronische, herhaalde blootstelling. Maar het is niet zo vaak een harde eis om deze gegevens te verzamelen met behulp van een 90 dagen durende orale toxiciteitsstudie. En toch lijkt de eis om met effecten van subchronische blootstelling te komen, vaak vertaald te worden in een noodzaak om zo’n studie uit te voeren. Hoewel dit type onderzoek in verschillende richtlijnen (gepubliceerd door risicobeoordelaars) wordt beschreven als onderdeel van de ‘standaard testbatterij’, kun je je afvragen wanneer andere studies – die vergelijkbare (niet exact dezelfde), relevante informatie zouden kunnen bieden – een belangrijke rol kunnen gaan spelen in de ontwikkeling van deze veiligheidsdossiers.

Ook tonen we in onze analyse aan dat, hoewel die subchronische effecten dus worden onderzocht met een 90-dagen studie, de studie voor verschillende doeleinden gebruikt kan worden volgens adviesdocumenten en wetgeving. Daarin zie je alleen niet terug welke aanpassingen worden verwacht aan de onderzoeksopzet, om deze verschillende doelen van de studie te bereiken. Onze studie was slechts een theoretische analyse van de wetten en adviesdocumenten over het opstellen van veiligheidsdossiers voor stoffen die je oraal kunt innemen: voeding, medicijnen en chemische stoffen. De uitkomsten suggereren alleen wel dat het hoognodig is om de noodzaak van de studie, de doelstellingen en de opzet ervan beter op elkaar af te stemmen. Alleen zo kunnen dierenwelzijn en de inhoud van de veiligheidsbeoordelingsdossiers worden verbeterd.