• De nieuwe verordening voor nieuwe voedingsmiddelen is alweer één week van kracht. Dankzij deze wet zouden alleen nog maar veilige producten de Europese markt op kunnen komen. Alleen, zoals ik eerder schreef, is voedselveiligheid nogal een lastig begrip. Mijn meest recent gepubliceerde onderzoek[i] gaat dan ook over hoe je voor een nieuw voedingsmiddel kunt aantonen dat het veilig is.

    De nieuwe voedingsmiddelen verordening
    De verordening voor nieuwe voedingsmiddelen vereist dat producten die nieuw zijn op de Europese markt, omdat ze helemaal nieuw gemaakt zijn óf nog nooit binnen Europa gegeten zijn, ‘veilig zijn voor humane consumptie’. Oftewel, als je het eet, mag je er niet ziek van worden (of erger). Een bedrijf kan een nieuw product op de markt brengen als het product geautoriseerd wordt door de Europese Commissie. Deze autorisatie is gebaseerd op een dossier van wetenschappelijke studies die aantonen dat het product niet onveilig is[ii]. Dit dossier wordt beoordeeld door de Europese Voedselveiligheidsautoriteit EFSA, die de Europese Commissie adviseren over het al dan niet op de markt toelaten van dit nieuwe product. Om te weten waar je als bedrijf op moet testen, zijn er specifieke richtlijnen opgesteld door EFSA[iii]. Soortgelijke richtlijnen bestonden ook al onder de vorige wet uit 1997[iv]. En hoewel de wet aangepast is, lijken deze eisen voor wetenschappelijk onderzoek eigenlijk niet veranderd te zijn[i].

    Het wetenschappelijke dossier
    Een wetenschappelijk dossier om aan te tonen dat een product veilig is, begint met een gedetailleerde omschrijving van je product en het productieproces. Hierbij moet je duidelijk maken waar je product uit samengesteld is: is het één ingrediënt, een eenvoudig mengsel of is het een heel voedingsmiddel, bestaande uit verschillende stoffen? Vervolgens is er informatie nodig over wie het product naar verwachting gaat eten en in welke hoeveelheden. Dit eerste deel geeft je informatie over welke vervolgtesten je moet opzetten. Deze vervolgtesten vormen namelijk het belangrijkste onderdeel van het dossier: je moet aantonen dat het product veilig is op basis van kinetische gegevens, de voedingswaarde-informatie, toxicologische informatie en gegevens over (potentiële) allergenen.

    Kinetiek vertelt iets over wat er met een stof gebeurt in je lichaam. Hiermee kun je laten zien of een product naar verwachting in een bepaalde hoeveelheid giftig wordt, maar dit is ook nodig om de voedingswaarde te bepalen. Kinetiek wordt namelijk bepaald aan de hand van vier elementen: de absorptie (waar de stof in het lichaam wordt opgenomen); distributie (hoe de stof wordt verdeeld door het lichaam); metabolisme (hoe de stof chemisch gezien wordt omgezet); en excretie (hoe je lichaam de stof weer kwijtraakt). Om de kinetiek van een stof te bepalen, mag je data aanleveren uit dierstudies en uit humane studies. Het blijft alleen lastig om dit te doen voor nieuwe voedingsmiddelen die uit méér dan één stof bestaan: kun je studies naar losse ingrediënten zomaar combineren of doe je dan geen recht aan het mengsel dat je uiteindelijk op de markt wilt brengen?

    De voedingswaarde geeft je informatie over wat het product je oplevert als je het hebt gegeten: energie, vitaminen, mineralen en allerlei andere nutriënten. Vaak wordt de voedingswaarde bepaald aan de hand van referentiewaarden uit databases zoals het Nederlands Voedingsstoffenbestand. Maar bij nieuwe voedingsmiddelen is het minstens zo belangrijk om te analyseren of er geen negatieve wisselwerkingen mogelijk zijn tussen het nieuwe voedingsmiddel en andere voedingsstoffen. En als het nieuwe voedingsmiddel een oud product moet vervangen, mag het niet nadelig zijn qua voedingswaarde (ref: eigen werk). Ook voor de voedingswaarde is een systematische zoektocht naar wetenschappelijk literatuur relevant, waarbij je rekening houdt met de productsamenstelling, het productieproces en de kinetische gegevens. Wanneer er nog maar weinig duidelijk is over je nieuwe product, kan het nodig zijn om het zelf te testen. Dit wordt gedaan in dierstudies, die – hoewel ze niet wenselijk zijn – nuttig kunnen zijn voor individuele stoffen. Voor een geheel voedingsmiddel wordt dit een lastiger verhaal: kan het dier wel genoeg van het product eten zonder het dieet uit balans te brengen, zodat de dierstudie daadwerkelijk nuttige informatie oplevert?

    Deze moeilijkheden rondom dierproeven zijn eveneens belangrijk bij het derde punt dat getest wordt: de mogelijke toxiciteit van een nieuw voedingsmiddel. Als je uit de productsamenstelling geen aanleiding hebt om te denken dat één van de stoffen schadelijk is, hoef je alleen maar literatuur bij elkaar te zoeken over het ontbreken van deze schadelijke stoffen. Maar bij een potentieel risico lijkt een dierstudie onvermijdelijk. In zo’n dierstudie wordt de hoogste niet-schadelijke hoeveelheid van de stof of het volwaardige voedingsmiddel bepaald, om met behulp van veiligheidsfactoren dit om te rekenen naar een acceptabele hoeveelheid voor mensen.

    Als laatste moet je rekening houden met allergenen in je product. Hoewel je die allergenen niet uit je product hoeft te halen, moet je op de verpakking vermelden welke allergenen het product bevat (als het één van de veertien verplicht te vermelden allergenen in de EU is zoals pinda’s)[v]. Daarvoor moet je eiwitten in je product karakteriseren en eventueel klassieke allergenentesten uitvoeren zoals een huidpriktest (ref 3). Het kan alleen ook zo zijn dat bepaalde eiwitten in je product structureel (bijna) vergelijkbaar zijn met een allergeen. Dit kan slechts bestudeerd worden door naar onder andere de taxonomie van het eiwit te kijken en naar het potentiële gebruik van het eindproduct, om te bepalen of er celstudies gedaan moeten worden naar specifieke eiwitten[i],[vi]. Als er geen allergenen in lijken te zitten, kan het product op de markt worden gebracht.

    Om aan te tonen dat een voedingsmiddel of voedingsstof nieuw op de Europese markt veilig is, moet je alle vier elementen (kinetiek, voedingswaarde, toxiciteit en allergenen) bestuderen. In deze blog heb ik je laten zien dat hier nog veel vragen bij meespelen, hoe je de elementen goed kunt bestuderen, of je een dierstudie moet uitvoeren en welke literatuur wel en niet relevant is. En hoewel de verschillende testen door middel van dierstudies en computersimulaties steeds beter worden, blijft het altijd de vraag of de risicobeoordelaar (in dit geval EFSA) deze testen accepteert als bewijs[i]. In mijn vorige blog legde ik je al uit hoe lastig het is om voedselveiligheid te definiëren, maar ook het daadwerkelijk testen van deze voedselveiligheid ook omringd door vragen.


    [i] De Boer & Bast 2018. Demanding safe foods – Safety testing under the novel food regulation (2015/2283). Trends in Food Science & Technology 72, pg 125-133.

    [ii] Regulation (EU) 2015/2283 of the European Parliament and of the Council of 25 November 2015 on novel foods, amending Regulation (EU) No 1169/2011 of the European Parliament and of the Council and repealing Regulation (EC) No 258/97 of the European Parliament. Official Journal of the European Union L 327, 1–22.

    [iii] Turck, D., Bresson, J., Burlingame, B., Dean, T., Fairweather-Tait, S., Heinonen, M., … Loveren, H. (2016a). Guidance on the preparation and presentation of an application for authorisation of a novel food in the context of Regulation (EU) 2015/2283. EFSA Journal 14(11).

    [iv] Regulation (EC) No 258/97 of the European Parliament and of the Council of 27 January 1997 concerning novel foods and novel food ingredients. Official Journal of the European Communities L 43, 1–6.

    [v] Regulation (EU) No 1169/2011 of the European Parliament and of the Council of 25 October 2011 on the provision of food information to consumers. Official Journal of the European Union L 304, 18-63.

    [vi] Verhoeckx, K., Broekman, H., Knulst, A., & Houben, G. (2016). Allergenicity assessment strategy for novel food proteins and protein sources. Regulatory Toxicology and Pharmacology 79, 118–124.

     

  • In mijn vorige blog schreef ik over de nieuwe verordening voor nieuwe voedingsmiddelen, die vanaf 1 januari zal gelden door de hele EU. Met deze wet wil men consumenten beschermen tegen producten die niet veilig zijn, oftewel ‘ongeschikt voor humane consumptie’ zijn. Maar wat is voedselveiligheid?

    Er blijkt een verschil te bestaan tussen hoe wetenschappers voedselveiligheid definiëren en hoe een consument voedselveiligheid zou beschrijven[i]: voor wetenschappers gaat het er om dat het eten van een product geen schadelijke gevolgen heeft, dus dat je er niet ziek van wordt. Daarom vinden wetenschappers het belangrijk dat een product niet vervuild is, met bijvoorbeeld glas- of metaaldeeltjes uit de productielijn of uit de verpakking, maar ook dat de hygiëne standaarden gevolgd worden en er bijvoorbeeld geen microbiologische contaminaties ontstaan. En natuurlijk wil je dit als consument ook! Maar voor veel consumenten is het ook belangrijk dat een product gezond is, en dat het eten ervan geen risico’s met zich meebrengt. Dus waar een wetenschapper het heeft over geen illegale of onveilige zaken in een product, lijkt een consument bij voedselveiligheid te kijken naar veiligheid én gezondheid.

    De meeste wetten en regels over voedselveiligheid richten zich alleen op die wetenschappelijke veiligheid. Het lastige daaraan is dat het onmogelijk is om met zekerheid te zeggen dat een voedingsmiddel nooít een risico zal vormen voor een consument[ii]. Je kunt een product alleen maar op een paar bekende risico’s testen, maar je kunt natuurlijk geen onbekende zaken meenemen. Daarom is het beleid rondom voedselveiligheid er ook met name op gericht om ‘een redelijke zekerheid te garanderen dat geen schade voortvloeit uit het beoogde gebruik’, zoals de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OECD) in 1993 beschreef[iii]. Hiermee geeft de OECD aan dat voeding bepaalde (natuurlijke) toxinen kan bevatten, maar dat het veilig kunnen eten van zo’n voedingsmiddel gebaseerd is op bereidings- en gebruikservaringen van een product.

    Mogelijke risico’s van voedselconsumptie worden in kaart gebracht met behulp van risicoanalyses. De eerste stap in zo’n risicoanalyse is de risicobeoordeling, waarbij met behulp van computermodellen, cel studies en eventueel dierstudies de risico’s in kaart worden gebracht. Dit wordt gecombineerd met consumptiegegevens en deze wetenschappelijke kennis wordt gebruikt in de tweede stap, het risicomanagement. Hierbij worden de wetenschappelijke gegevens samen met politieke en beleidsmatige overwegingen bediscussieerd. In deze tweede stap wordt de beslissing genomen of een ingrediënt of voedingsmiddel een toelaatbaar of een ontoelaatbaar risico met zich meebrengt, en uiteindelijk wel of niet op de markt wordt toegelaten[iv].

    Zoals ik in een eerdere blog al beschreef is wetenschappelijk bewijs voor zo’n risicobeoordeling essentieel in het Europese voedingsrecht[v]. In de algemene kaderwetgeving voor voeding uit 2002 staat expliciet vermeld dat het risico dat een voedingsproduct vormt wetenschappelijk in kaart gebracht moet worden. Ook wordt de rol van de Europese voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) als onder meer wetenschappelijk adviseur voor de Europese Commissie in deze verordening beschreven[vi]. In deze wet is echter geen definitie te vinden van voedselveiligheid, of van veilig voedsel. Alleen in artikel 14 staat beschreven dat onveilig voedsel niet op de markt gebracht mag worden, waarbij onveiligheid kan ontstaan doordat een product niet geschikt is voor humane consumptie (zoals bijvoorbeeld diervoeder) of dat een voedingsmiddel schadelijk is voor de gezondheid.

    Wel zijn er in Europa verschillende wetten van kracht die stukjes van de voedselveiligheid reguleren. Zo is er wetgeving voor hygiëne standaarden[vii], maar moeten ook allergenen vermeld worden op de verpakking dankzij etiketteringsregels[viii]. Daarmee worden verschillende aspecten van voedselveiligheid afgedekt. Maar het belangrijkste principe voor veilig voedsel in Europa is misschien wel het zogenaamde voorzorgsprincipe, het precautionary principle. Zoals te zien is bij bijvoorbeeld de novel food regulation, worden in Europa veel zaken éérst wetenschappelijk geanalyseerd voor er een politieke beslissing volgt. Het voorzorgsprincipe bepaalt dat als je zulke wetenschappelijke gegevens niet hebt, en je onzeker bent over bijvoorbeeld de veiligheid van een specifiek product, je als overheid mag beslissen een product niet op de markt te laten[vi]. Om consumenten te kunnen beschermen tegen risico’s mag men uit voorzorg de producten weg te houden van de Europese interne markt. Je kunt je echter afvragen wanneer dit principe relevant is voor gebruik, aangezien je immers nooit met 100% zekerheid kunt zeggen dat iets veilig is – je hebt immers nooit met álles rekening kunnen houden in je testen.

    Al met al is er dus geen heldere wetenschappelijke of juridische definitie voor voedselveiligheid, behalve dan dat iets niet ónveilig mag zijn volgens de Europese kaderregeling voor voeding[vi]. Je kunt je ook afvragen of we ons moeten richten op het veiliger maken van onze voeding, of dat het allereerst noodzakelijk is om consumenten te informeren over de onzekerheid rondom de veiligheidscontroles in voeding. Die onzekerheid zal namelijk altijd blijven bestaan. Maar laten we ons ook vooral blijven realiseren dat veilig voedsel begint bij jezelf: hoe verstandiger je met je voeding om gaat, hoe gezonder en veiliger je dieet is!


    [i] Elmi, M. (2004). Food safety: current situation, unaddressed issues and the emerging priorities. Eastern Mediterranean Health Journal 10(6), 794-800.

    [ii] Blaauboer, B. J., Boobis, A. R., Bradford, B., Cockburn, A., Constable, A., Daneshian, M., … Schuermans, J. (2016). Considering new methodologies in strategies for safety assessment of foods and food ingredients. Food and Chemical Toxicology 91, 19–35.

    [iii] OECD. (1993). Safety evaluation of foods derived by modern biotechnology: concepts and principles. Paris.

    [iv] FAO/WHO (1997) Risk management and food safety – Report of a Joint FAO/WHO Consultation. Rome.

    [v] Vos E (2000) EU Food Safety Regulation in the Aftermath of the BSE Crisis. Journal of Consumer Policy 23, 227–255

    [vi] Regulation (EC) No 178/2002 of the European Parliament and of the Council of 28 January 2002 laying down the general principles and requirements of food law, establishing the European Food Safety Authority and laying down procedures in matters of food safety. Official Journal of the European Communities L 31, 1–24

    [vii] Regulation (EC) No 852/20034 of the European Parliament and of the Council of 29 April 2004 on the hygiene of foodstuffs. Official Journal of the European Union L 139, 1-54.

    [viii] Regulation (EU) No 1169/2011 of the European Parliament and of the Council of 25 October 2011 on the provision of food information to consumers. Official Journal of the European Union L 304, 18-63.

  • Over een paar maanden is het zo ver: 1 januari aanstaande wordt de nieuwe Europese verordening van kracht die de veiligheid van nieuwe voedingsmiddelen probeert te garanderen. Waar de Europese voedings- en gezondheidsclaims verordening gemaakt is om onder andere te voorkomen dat consumenten misleid kunnen worden, is deze wet echt gericht op het beschermen van consumenten tegen onveilige voeding. Maar, dit is niet de eerste versie van deze wet. In deze blog wil ik je hier graag wat meer over vertellen.

    Al sinds 1997 mogen nieuwe voedingsmiddelen al niet meer zomaar worden verkocht op de Europese markt. Voor alle producten en ingrediënten die men in Europa nog niet eerder gegeten heeft (zogenaamde traditionele voedingsmiddelen) of producten die helemaal nieuw ontwikkeld zijn, bijvoorbeeld met behulp van nieuwe technieken, moet eerst aangetoond worden dat ze veilig zijn voor consumptie. De Europese verordening voor nieuwe voedingsmiddelen, de Novel Foods Regulation, heeft dan ook als doel om consumenten te beschermen tegen onveilige producten én om de wet- en regelgeving voor zulke producten in de verschillende lidstaten gelijk te trekken[i]. Als je een nieuw product op de markt wilt brengen, moet je in je dossier laten zien dat het product niet onveilig is om gegeten te worden door mensen. Hiervoor moet je verschillende wetenschappelijke gegevens aanleveren, over hoe het product zich gedraagt in het menselijk lichaam (kinetiek), eventuele toxiciteit, de voedingswaarde en of het een allergische reactie kan veroorzaken[ii]. Nadat dit dossier is bestudeerd én positief is beoordeeld door een nationale nalevingsautoriteit, kan de Europese Commissie besluiten het product toe te laten op de Europese markt.

    Maar als er al een wet is sinds 1997, waarom is het dan van belang dat in januari een nieuwe wet van kracht wordt? Al sinds 2002, toen de verordening vijf jaar oud was en geëvalueerd diende te worden, is men bezig met het updaten hiervan. Er bleken een aantal problemen te ontstaan bij de praktische toepassing van de wet: de lidstaten interpreteerden de definities van novel foods verschillend; er was discussie over het toestaan van genetisch gemodificeerd voedsel; en de procedure om het wetenschappelijk bewijs te laten beoordelen en toestemming te krijgen het product op de markt te krijgen, was erg lang[iii] [iv]. In 2011 strandde een eerste poging om de verordening te herzien, omdat men het niet eens kon worden over nanotechnologie en klonen[v]. In november 2015 kon eindelijk de nieuwe Novel Foods Regulation worden gepresenteerd[vi].

    Per 1 januari 2018 zullen een aantal zaken dan ook veranderen. Zo zijn er in plaats van vier categorieën vanaf januari 10 categorieën om een nieuw voedingsmiddel te kunnen definiëren. Zo vallen niet alleen maar delen van dieren of planten onder de verordening, maar worden ook nieuw ingevoerde soorten (zoals insecten) als aparte nieuwe voedingsmiddelen gezien. En waar eerst een nationale autoriteit het bewijs naliep, wordt nu EFSA gevraagd om het bewijs te beoordelen. Onder de vorige verordening kwam EFSA pas in beeld als de verschillende lidstaten het niet met elkaar eens konden worden, nu zou het hele proces dan ook sneller moeten verlopen. En vanaf 1 januari geldt de toestemming om het product te verkopen niet alleen voor het bedrijf dat de toestemming aanvraagt, maar voor iedereen met een soortgelijk product. Daarmee ontstaat een generiek goedkeuringssysteem in plaats van een product specifiek systeem. Dit zou de mogelijkheden voor bedrijven om nieuwe producten op de markt te kunnen brengen moeten vergroten.

    In de praktijk gaat dit betekenen dat het proces sneller verloopt en dat helderder is wanneer een product eigenlijk onder de definitie van nieuwe voedingsmiddelen valt, ook tussen lidstaten. Een mooi voorbeeld hiervan is het eten van insecten. Waar in sommige landen (o.a. in Scandinavië) nu geen insecten op de markt gebracht mogen worden, mogen in Nederland een aantal insecten voor consumptie worden verkocht. Het was eerder namelijk niet duidelijk of alleen delen van dieren als nieuwe voedingsmiddelen gezien zouden worden, of ook héle dieren zoals insecten. De nieuwe definitie verheldert dit, en als nu voor één insectensoort een positief oordeel uitgesproken wordt door de Europese Commissie, zal deze insect in alle Europese landen op de markt gebracht mogen worden door meerdere bedrijven. Maar of alle praktische problemen met deze nieuwe verordening opgelost zijn, dat blijft natuurlijk afwachten.


     

    [i] European Parliament and Council of the European Union. (1997). Regulation (EC) No 258/97 of the European Parliament and of the Council of 27 January 1997 concerning novel foods and novel food ingredients. Official Journal of the European Communities L 43, 40, 1–6.

    [ii] European Commission. (1997). 97/618/EC: Commission Recommendation of 29 July 1997 concerning the scientific aspects and the presentation of information necessary to support applications for the placing on the market of novel foods and novel food ingredients and the preparation of ini. Official Journal of the European Communities L, 253, 1–36.

    [iii] Coppens, P., Da Silva, M. F., & Pettman, S. (2006). European regulations on nutraceuticals, dietary supplements and functional foods: a framework based on safety. Toxicology, 221(1), 59–74.

    [iv] Coppens, P. (2013). The Revision of the Novel Foods Regulation: Forget about Cloning and Nanotechnology, Let’s Focus on The Scope. European Food & Feed Law Review, 2013(4), 238.

    [v] Ballke, C. (2014). The New Novel Food Regulation – Reform 2.0. European Food and Feed Law Review.

    [vi] European Parliament and Council of the European Union. (2015). Regulation (EU) 2015/2283 of the European Parliament and of the Council of 25 November 2015 on novel foods, amending Regulation (EU) No 1169/2011 of the European Parliament and of the Council and repealing Regulation (EC) No 258/97 of the European Parliam. Official Journal of the European Union L, 327, 1–22.

     

  • Het heeft even geduurd voor mijn vorige blog opgevolgd kon worden door een nieuw verhaal. Maar dat betekent niet dat ik de afgelopen tijd stilgezeten heb. Zo heb ik onder meer, samen met Prof. dr. Ellen Vos en Prof. dr. Aalt Bast, die eerder mijn promotoren waren tijdens mijn PhD-project, en een andere Health Food Innovation Management alumna, Miriam Urlings, een Summer School georganiseerd over voeding, toxicologie en voedingsrecht. Deze eerste Summer School vond plaats op 3 & 4 juli in Venlo, op de campus van Maastricht University. Graag deel ik het verloop van deze twee dagen met jullie in deze blog!

    In anderhalve dag konden professionals die opgeleid zijn in de levenswetenschappen of juist zijn geschoold in levensmiddelenrecht, maar in hun dagelijkse werk met beide velden in aanraking komen, meer inzicht krijgen in de connectie tussen beide vakgebieden. Aan de hand van diverse lezingen, een case discussie en een workshop konden deelnemers ervaren hoe levenswetenschappen (en dan specifiek voeding en toxicologie), en levensmiddelenrecht elkaar beïnvloeden. Met 17 deelnemers en acht sprekers, uit diverse Europese landen en met zeer verschillende achtergronden (van ondernemers in de supplementen industrie tot regulatory affairs managers bij grote voedingsbedrijven tot juridische wetenschappers) kunnen we spreken van een succesvolle eerste editie!

    Ook Dr. Femke Hoevenaars van TNO mochten we verwelkomen op de eerste dag van deze Summer School. Deze middag stond in het teken van kennis maken met de beide vakgebieden, die geïntroduceerd werden door Prof. Vos en Prof. Bast, waarna Dr. Hoevenaars in ging op de nieuwe methode die TNO ontwikkelde om gezondheidseffecten van voeding te kunnen meten. Deze methode zou onder meer gebruikt kunnen worden in het samenstellen van een wetenschappelijk dossier voor een gezondheidsclaim. Na dit inhoudelijke middagprogramma werden alle deelnemers vervolgens verwelkomd door wethouder Satijn in het stadhuis van Venlo, natuurlijk met vlaai, en liet de stadsgids ons de mooiste en de meest interessante plekken van Venlo zien. De dag werd uiteindelijk afgesloten met een heerlijke Italiaanse kookworkshop.

    De tweede dag van de Summer School begon met vier interessante sprekers, die vanuit hun eigen vakgebied in aanraking komen met zowel voeding als voedingsrecht. Prof. dr. Antoon Opperhuizen (directeur van het Bureau Risicobeoordeling en Onderzoeksprogrammering bij de NVWA) beet het spits af. In zijn presentatie gaf hij inzicht in waar de NVWA tegenaan loopt bij het communiceren van soms onzekere voedingsgerelateerde risico’s. Dr. Hubert Deluyker (wetenschappelijk adviseur bij EFSA) vertelde vervolgens over het belang van risicobeoordeling als wetenschappelijke discipline. Hij legde uit hoe het eigenlijk komt dat we in Europa zoveel belang hechten aan wetenschappelijke risicobeoordelingen en wat dat voor positieve én negatieve gevolgen heeft voor het ontwikkelen van wetgeving en beleid. Vervolgens nam Floris Kets, voedingswetenschapper en paralegal bij Axon Lawyers ons mee naar een aantal praktische voorbeelden die speelden bij de Europese voedings- en gezondheidsclaims verordening of onder de zogenaamde novel foods verordening in Europa (link naar blog of uitleg voor novel foods), waarin wordt geregeld dat van nieuwe stoffen eerst hun veiligheid aangetoond moet worden voor ze op de markt gebracht mogen worden. Als laatste spreker vertelde Prof. dr. Henk van Loveren (vice-voorzitter van het NDA Panel van EFSA) over zijn ervaringen als Panellid met het beoordelen van wetenschappelijke dossiers voor gezondheidsclaims.

    De tweede middag van de Summer School draaide om het toepassen van de opgedane kennis. In drie verschillende groepen bestudeerden de deelnemers de beslissing die de Europese Commissie in december moet gaan nemen over glyfosaat, een stof die gebruikt wordt als pesticide maar waarvan de (negatieve) gezondheidseffecten nog altijd bediscussieerd worden. Natuurlijk was deze casus aanleiding voor een interessante discussie over hoe je diverse wetten en regels kunt interpreteren, maar ook over het gebruik van wetenschappelijk bewijs. Tenslotte begeleidde Denice Hendriks, consultant bij Précon Food Management BV, het laatste onderdeel van de Summer School: een workshop over etikettering van voedingsproducten. Hoewel diverse deelnemers ervaring hadden met etikettering, was het maken van een etiket voor een fictief voedingsproduct nog altijd aanleiding voor een enthousiaste nabespreking. De balans tussen de eisen die voortkomen uit de wetenschappelijk onderbouwde Europese wetgeving en de uitspraken die je graag als marketeer wilt doen, bleek een interessante uitdaging te zijn. Tijdens de afsluitende borrel kwamen bij diverse deelnemers dan ook nog veel vragen naar boven!

    Als organisatie kunnen we, dankzij het enthousiasme van de deelnemers en sprekers, terugkijken op een fantastische eerste editie van deze Summer School. Voor volgend jaar zomer staat de Summer School on Food, Toxicology and EU Law dan ook zeker weer op de planning!

    2017-07-04-10-41-29.jpg

  • Er is al veel over gezegd en geschreven, E-nummers. Hoewel ik een heel verhaal zou kunnen schrijven over wat E-nummers precies zijn, vind ik het interessanter hoe het toch kan dat er zo’n verschil bestaat tussen experts en (veel) consumenten: de expert vindt ons voedsel veiliger dan ooit, de consument heeft nog nooit zo veel getwijfeld. Daarom deze blog over risicoperceptie van voeding.  

    Natuurlijk ontkom ik er niet aan om kort toe te lichten wat een E-nummer is. Een voedingsstof die een E-nummer gekregen heeft, is een stof die goedgekeurd is binnen Europa[i] om gebruikt te worden als zogenaamd additief. Een additief is een stof die toegevoegd kan worden aan een voedingsmiddel om bijvoorbeeld de smaak te bevorderen (smaakversterkers), een product langer houdbaar te maken (zoals conserveermiddelen en antioxidanten) of het productieproces te verbeteren (zoals meelverbeteraars voor verbeterde bakeigenschappen)[ii]. Voor een additief een E-nummer krijgt, moet het uitvoerig getest worden op veiligheid. De Europese Voedselveiligheidsautoriteit EFSA beoordeelt deze testgegevens op hun betrouwbaarheid. Daarmee worden alleen additieven toegelaten in voedingsproducten die geen risico vormen voor inname door de algemene consument. Natuurlijk blijft het altijd opletten voor mensen die allergisch zijn voor specifieke stoffen, maar in principe zijn deze additieven veilig voor iedere consument.

    Waarom er zo veel ophef is over E-nummers? Er worden allerlei redenen aangedragen door voedingsgoeroe’s om geen additieven te eten: kinderen zouden er hyperactief van worden, mensen krijgen hoofdpijn, allerlei beweringen worden gemaakt die niet te staven zijn met wetenschappelijk bewijs. En over die ongefundeerde beweringen maken verschillende experts, zoals een microbiologe & columniste, zich weer druk over. Zoals gedragswetenschapper Dr. Reint Jan Renes prachtig beschrijft op zijn blog, lijken mensen met minder kennis van zaken juist een sterke mening te hebben, wat ook het geval lijkt te zijn bij deze hele E-nummer discussie.

    Maar waarom is die perceptie van risico’s van eten verschillend tussen experts en consumenten? Er blijken een aantal psychologische factoren mee te spelen bij deze risicoperceptie. Een consument denkt niet alleen aan de technische specificaties van een risico, maar ook aan het gevoel van controle over de blootstelling aan het risico en of het risico een grote ramp tot gevolg heeft[iii]. Als je het gevoel hebt dat je geen controle hebt over het risico, lijk je er angstiger over te worden en al helemaal als je denkt dat het uiteindelijk in een catastrofe eindigt. Daarnaast lijken onnatuurlijke risico’s, bijvoorbeeld pesticiden, nog bedreigender dan natuurlijke risico’s zoals microbiologische contaminaties[iii],[iv]. Naast zulke psychologische factoren blijken ook andere zaken mee te spelen, zoals geslacht (mannen lijken veiligheid belangrijker te vinden dan vrouwen), je sociaal-economische status, je woonomgeving en je ervaring[iii],[v].

    Deze risicoperceptie lijkt beïnvloed te kunnen worden door aan een consument meer informatie te geven, zoals Bearth en collega’s deden[vi]. De helft van 185 Zwitserse consumenten kreeg een informatievideo te zien over de wetenschappelijke beoordelingsprocedure van additieven en bijbehorende wet- en regelgeving. Het zien van deze video bleek te leiden tot meer kennis over additieven en meer acceptatie van deze stoffen dan vóór het zien van de video. Meer kennis lijkt in deze studie dan ook te leiden tot minder onbegrip van voedselveiligheidsissues.

    Dus hoewel de procedures rondom het goedkeuren van voedingsadditieven en andere voedingsproducten al wel transparanter gemaakt worden[ii], moeten we als experts wellicht meer uitleggen over deze procedures voordat de angst van een consument weggenomen kan worden. Eigenlijk moeten we de bange consument dus niet aan het werk zetten, maar alle voedings-, communicatie- en juridische wetenschappers!


    [i] Verordening (EU) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven. Beschikbaar op http://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/HTML/?uri=CELEX:32008R1333&from=EN.

    [ii] European Food Safety Authority. Food additives. Beschikbaar op http://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/food-additives.

    [iii] Safe Foods. Consumer food risk perceptions. Beschikbaar op http://www.safefoods.nl/en/safefoods/Elearning/Social-Science/1.-Introduction/1.2-Consumer-food-risk-perceptions.htm.

    [iv] Tonkin E, Coveney J, Meyer SB, Wilson AM, Webb T (2016). Managing uncertainty about food risks – consumer use of food labelling. Appetite 107:242-252.

    [v] Wilcock A, Pun M, Khanona J, Aung M (2004). Consumer attitudes, knowledge and behavior: a review of food safety issues. Trends in Food Science & Technology 15:56-66.

    [vi] Bearth A, Cousin ME, Siegrist M (2016). “The dose makes the poison”: Informing consumers about the scientific risk assessment of food additives. Risk Analysis 36:130-144.

     

  • Vandaag werd het persbericht gepubliceerd over de laatste studie uit mijn PhD traject, een systematische literatuurstudie naar het positieve effect van voedingsstoffen op ontstekingsmarkers en longfunctie in patiënten met – of modellen van – chronische longziekten. Dit artikel werd afgelopen januari geaccepteerd voor publicatie in het wetenschappelijke tijdschrift International Journal of Food Sciences and Nutrition. In deze publicatie beschrijf ik het onderzoek dat we gedaan hebben in samenwerking met een stagiair en een aantal van mijn collega’s. In deze blog leg ik kort uit wat we hierin ontdekt hebben, het gehele artikel lees je hier!

    Het aantal patiënten dat lijdt aan een chronische inflammatoire longziekte, zoals COPD (chronic obstructive pulmonary disease, oftewel chronische obstructieve longziekte), astma of ILD (interstitiële longziekten waaronder sarcoïdose), neemt toe[i],[ii],[iii]. In principe heeft een ontsteking (of inflammatie) een functie, om indringers uit je lijf te kunnen verwijderen, bij bijvoorbeeld een vervuilde schaafwond. Dankzij de cellen die naar de plek van de ontsteking aangetrokken worden, kunnen de indringers verwijderd worden uit je lichaam en kan bijvoorbeeld de geschaafde huid goed herstellen. Dit is een strak gereguleerd proces, waarbij verschillende signalen afgegeven worden om cellen naar de plek van de ontsteking te krijgen en de indringer uiteindelijk te verwijderen, waarna de reactie afgebroken wordt. Maar zodra deze ontstekingsreactie niet goed gestopt wordt doordat er bijvoorbeeld nog altijd signalen afgegeven worden dat er nog indringers zijn, kan een chronische ontsteking ontstaan[iv]. En hoewel deze chronische inflammatoire longziekten veel van elkaar verschillen, is zo’n uit de hand gelopen ontstekingsreactie ook de sleutel tot het ontstaan van deze ziekten.

    Om deze ontsteking tegen te gaan, gebruiken patiënten verschillende medicijnen, waaronder glucocorticosteroïden. Deze glucocorticosteroïden werken anti-inflammatoir en helpen daarmee de ziekte onder controle te houden. De dosis van de medicijnen moet echter vaak verhoogd worden en verschillende patiënten worden er zelfs resistent voor terwijl men wel last kan krijgen van de bijwerkingen[v]. Doordat voedingsstoffen ook een effect kunnen hebben op het werkingsmechanisme van deze glucocorticosteroïden en op ontstekingsreacties in het algemeen[vi],[vii], is in diverse onderzoeken gekeken naar de potentiële positieve effecten van voedingsstoffen[viii],[ix], voedingsmiddelen[x] of zelfs specifieke diëten zoals het mediterraans dieet[xi],[xii] op deze ziekten. Omdat er veel verschillende soorten studies waren gedaan, variërend van celmodellen van de verschillende ziekten tot het gebruik van diermodellen, maar ook studies met patiënten, en er erg veel verschillende voedingsstoffen onderzocht zijn, wilden wij een overzicht maken om de meest interessante voedingsstoffen te identificeren voor verder onderzoek.

    Na meer dan 1200 artikelen gescreend te hebben, bleven 162 artikelen over die daadwerkelijk een relatie tussen een voedingsstof, een voedingsmiddel of een dieet en ontstekingsmarkers of longfunctie onderzochten. De uitkomsten van deze studies hebben we gescoord en aan de hand van de relevantie van het type studie gewogen, zodat de uitkomsten van patiënten studies zwaarder wogen dan dierstudies of studies in celmodellen. Na het samenvoegen van de verschillende typen studies met hun diverse uitkomsten, blijken voor vitamine e en omega-3 vetzuren de sterkste aanwijzingen te bestaan dat zij een positief effect hebben op zowel de longfunctie bij deze ziekten als op de ontstekingsmarkers. Ook bleek uit onze review dat er over de effecten van vele voedingsstoffen nog maar weinig bekend is, omdat er bijvoorbeeld maar één studie naar gedaan is (zoals naar het effect van zink) of alleen verschillende dierstudies gepubliceerd zijn (bij bijvoorbeeld vezels). Maar dit literatuuronderzoek[xiii] biedt wel aanleiding om verder onderzoek te doen naar vitamine e en omega-3 en diens mogelijke positieve effecten voor patiënten met chronische inflammatoire longziekten!


    [i] Het Longfonds (2017). Wat is COPD? Beschikbaar op https://www.longfonds.nl/copd/alles-over-copd/wat-is-copd.

    [ii] Het Longfonds (2017). Wat is astma? Beschikbaar op https://www.longfonds.nl/astma/alles-over-astma/wat-is-astma.

    [iii] RIVM (2011). Incidentie. Beschikbaar op http://www.eengezondernederland.nl/Heden_en_verleden/Ziekten/Incidentie.

    [iv] Moldoveanu B, Otmishi P, Jani P, Walker J, Sarmiento X, Guardiola J, Saad M, Yu J (2009). Inflammatory mechanisms in the lung. J Inflamm Res 2:1–11.

    [v] Barnes PJ, Shapiro SD, Pauwels RA (2003). Chronic obstructive pulmonary disease: molecular and cellular mechanisms. Eur Respir J 22:672-688.

    [vi] Barnes PJ, Adcock IM (2009). Glucocorticoid resistance in inflammatory diseases. Lancet 373:1905-1917.

    [vii] Ruijters EJB, Haenen GRMM, Weseler AR, Bast A. 2014a. The anti-inflammatory efficacy of dexamethasone is pro- tected by ( )-epicatechin. PharmaNutrition. 2:47–52.

    [viii] Geraets L, Haegens A, Brauers K, Haydock JA, Vernooy JHJ, Wouters EFM, Bast A, Hageman GJ (2009). Inhibition of LPS-induced pulmonary inflammation by specific flavonoids. Biochem Biophys Res Commun 382:598–603.

    [ix] Hazewindus M, Haenen GRMM, Weseler AR, Bast A (2014). Protection against chemotaxis in the anti-inflammatory effect of bioactives from tomato ketchup. PLoS One. 9:e114387.

    [x] Romieu I (2005). Nutrition and lung health. Int J Tuberc Lung Dis 9:362–37

    [xi] Varraso R, Fung TT, Hu FB, Willett W, Camargo CA (2007). Prospective study of dietary patterns and chronic obstructive pulmonary disease among US men. Thorax 62:786–791.

    [xii] Varraso R, Willett WC, Camargo CA (2010). Prospective study of dietary fiber and risk of chronic obstructive pul- monary disease among US women and men. Am J Epidemiol 171:776–784.

    [xiii] De Boer A, van de Worp WR, Hageman GJ, Bast A (2017). The effect of dietary components on inflammatory lung diseases – a literature review. Int J Food Sci Nutr.

     

  • In de winter word je overspoeld met reclames voor voedingssupplementen op radio en tv. Misschien gebruik je zelf wel eens een supplement, om je winterdipje tegen te gaan of om te voorkomen dat je ook door de griep geveld wordt. Voedingssupplementen worden steeds populairder bij consumenten en niet alleen multivitaminen, maar ook producten die zich op één specifieke doelgroep richten (bijvoorbeeld voor zwangere vrouwen, of ouderen) worden steeds meer verkocht[i],[ii]. In deze blog zal ik je niet proberen te overtuigen om juist wel of juist geen supplementen te gebruiken, maar ik wil je meer achtergrondinformatie geven over hoe de wet omgaat met voedingssupplementen. 

    Voedingssupplementen worden in Nederland geregeld onder het Warenwetbesluit voedingssupplementen[iii] en de Warenwetregeling voedingssupplementen[iv]. Het Warenwetbesluit en de Warenwetregeling zijn gebaseerd op de Europese Richtlijn 2002/46/EG[v], die het doel heeft om de wetgeving rondom voedingssupplementen van diverse Europese lidstaten gelijkt te trekken. Omdat dit een Europese richtlijn is en geen verordening (zoals de voedings- en gezondheidsclaims verordening waar ik in eerdere blogs over schreef), moeten Europese lidstaten de voorstellen uit de richtlijnen nog overnemen in eigen wet- en regelgeving, terwijl een Europese verordening direct in zijn geheel geldig is in alle lidstaten. Daarom zijn de specificaties van de wetgeving rondom voedingssupplementen in het Warenwetbesluit en de Warenwetregeling te vinden, maar de algemene afspraken die gelden voor alle Europese lidstaten komen uit Richtlijn 2002/46.

    Een geconcentreerde bron van één of meerdere vitaminen, mineralen of andere actieve voedingsstoffen wordt gezien als voedingssupplement [iii],[v]. Daarnaast is het doel van een voedingssupplement om het dieet aan te vullen met deze specifieke stoffen, niet om normale voeding te vervangen. Een voedingssupplement mag alleen de verschillende vitaminen en mineralen bevatten die in de bijlage van Richtlijn 2002/46 staan. Daarnaast is het belangrijk dat het supplement niet de indruk wekt dat je er ziekten mee tegen kunt gaan, omdat het product dan automatisch onder farmaceutische wetgeving valt[vi]. Een voedingssupplement wordt verder dan ook behandeld als ieder ander regulier voedingsproduct, waardoor het ook moet voldoen aan alle andere eisen die aan voedingsmiddelen gesteld worden: het mag niet onveilig zijn en als er nieuwe stoffen gebruikt worden in het supplement, moet de veiligheid van die stoffen eerst uitvoerig getest worden voor het product op de markt gebracht mag worden[vii],[viii].

    In de VS wordt een voedingssupplement door de wet duidelijk gescheiden van normale voeding en additieven, doordat het gereguleerd wordt onder de Dietary Supplement Health and Education Act uit 1994[ix]. Waar het in Europa belangrijk is dat het voedingssupplement een geconcentreerde bron is van verschillende voedingsstoffen, wordt in deze Act alleen uitdrukkelijk gesteld dat het verschillende voedingsstoffen kunnen zijn die het dieet aanvullen. Bij het gebruik van een nieuwe voedingsstof hoeft een producent van voedingssupplementen de Amerikaanse voedselveiligheidsautoriteit (de Food and Drug Administration, FDA) alleen informatie aan te leveren over het nieuwe product en ze op de hoogte te stellen dat ze het product gaan verkopen, waarna de FDA kan ingrijpen als men denkt dat er wellicht veiligheidsrisico’s vastzitten aan dit nieuwe product.

    In zowel de Europese als de Amerikaanse wetgeving wordt benadrukt dat een voedingssupplement gebruikt wordt om het dieet aan te vullen, niet om andere voedingsmiddelen of producten te vervangen. Ook worden voedingssupplementen duidelijk onderscheiden van verrijkte voeding, voeding waar specifieke vitaminen, mineralen of andere actieve voedingsstoffen aan toegevoegd zijn met een specifiek gezondheidseffect[x]. Bij verrijkte voeding kun je denken aan zout dat verrijkt is met jodium, of producten met toegevoegd foliumzuur. Of je daadwerkelijk voedingssupplementen nodig hebt om je dieet aan te vullen met specifieke voedingsstoffen, is aan jezelf om te beoordelen. Maar met uitzondering van mensen die een tekort hebben aan één of meerdere voedingsstoffen, is er voor maar één groep aangetoond dat voedingssupplementen de gezondheid verbeteren: vrouwen die zwanger zijn of zwanger willen worden hebben duidelijk baat bij het innemen van 0,4 mg foliumzuur per dag, waarmee het risico op zogenaamde neurale-buisdefect en andere geboorteafwijkingen afneemt[xi],[xii],[xiii].

    Mocht je een voedingssupplement willen gaan gebruiken, zorg dan dat je in ieder geval zeker weet dat je product niet vervuild is. Helaas blijken verschillende supplementen die je online kunt kopen stoffen te bevatten die niet op het etiket vermeld staan. Er worden zelfs (illegale) medicijnen in producten die verkocht worden als ‘onschuldige’ voedingssupplementen[xiv],[xv]. Mocht je nu een voedingssupplement willen gaan gebruiken, dan hoop ik dat je je realiseert wat je koopt en dat je een supplement aanschaft dat getest is!


    [i] Teichner W, Lesko M (2013). Cashing in on the booming market for dietary supplements.

    [ii] Euromonitor International (2015). Young women’s health: global attitudes towards health, fitness and wellbeing among the under 30s and market impact.

    [iii] Warenwetbesluit voedingssupplementen (2014). Beschikbaar via http://wetten.overheid.nl/BWBR0014814/2014-12-13.

    [iv] Warenwetregeling voedingssupplementen (2012). Beschikbaar via http://wetten.overheid.nl/BWBR0014903/2012-02-15.

    [v] Richtlijn 2002/46/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake voedingssupplementen.

    [vi] De Boer A (2015). Interactions between nutrition and medicine in effect and law. MultiCopy Parkstad: Kerkrade.

    [vii] Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden.

    [viii] Verordening (EU) 2015/2283 van het Europees Parlement en de Raad betreffende nieuwe voedingsmiddelen.

    [ix] Dietary Supplement Health and Education Act of 1994.

    [x] Verordening (EG) Nr. 1925/2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toevoeging van vitaminen en mineralen en bepaalde andere stoffen aan levensmiddelen.

    [xi] Eichholzer M, Tönz O, Zimmermann R (2006). Folic acid: a public-health challenge. Lancet 367:1352-1361.

    [xii] De-Regil LM, Pena-Rosas JP, Fernández-Gaxiola AC, Rayco-Solon P (2015). Effects and safety of periconceptional oral folate supplementation for preventing birth defects. Cochrane Systematic Review 12:CD007950.

    [xiii] Gezondheidsraad (2008). Naar een optimaal gebruik van foliumzuur.

    [xiv] NVWA (2016). Belangrijke veiligheidswaarschuwing voedingssupplementen Emtea, Irem Natural en Niva detox (thee en capsules). Beschikbaar op https://www.nvwa.nl/nieuws-en-media/nieuws/2016/10/19/belangrijke-veiligheidswaarschuwing-voedingssupplementen-emtea-irem-natural-en-niva-detox-thee-en-capsules.

    [xv] ANP via nu.nl (2015). NVWA waarschuwt voor voedingssupplementen. Beschikbaar op http://www.nu.nl/gezondheid/4169134/nvwa-waarschuwt-voedingssupplementen.html.

  • Bij het college dat ik gaf bij de Universiteit van Nederland (als je Ziggo-abonnee bent kun je dit terugkijken vanaf 6 februari en in de week van 20 februari staat het voor iedereen online) vertelde ik dat een aantal voorgestelde gezondheidsclaims Bijbelteksten gebruikten als bewijs voor deze claims. Direct na afloop van het college werd ik aangesproken door iemand uit het publiek: wat bedoelde ik met die opmerking? Ik leg het graag uit in deze blog.

    In mijn allereerste blog vertelde ik dat voedings- en gezondheidsclaims sinds 2006 Europees geregeld worden[i]. Een bewering over wat er in een product zit wordt gezien als voedingsclaim (waar ik eerder een andere blog over schreef), alles wat je zegt over het effect van het eten van het product is een gezondheidsclaim. Al deze claims dienen gebaseerd te zijn op wetenschappelijk bewijs, anders mag je het niet op de verpakking zetten. Dit wetenschappelijke bewijs wordt aangeleverd door een bedrijf in een wetenschappelijk dossier. Op verzoek van de Europese Commissie beoordeelt de Europese Voedselveiligheidsautoriteit (EFSA) of deze wetenschappelijke studies de voorgestelde claim ook ondersteunen[ii].

    Er zijn vier verschillende typen gezondheidsclaims, waarvan twee soorten zich richten op het effect van een voedingsmiddel op een specifieke functie in je lijf. Deze functie-claims kunnen gebaseerd zijn op ‘algemeen aanvaard’ wetenschappelijk bewijs (zogenaamde artikel 13.1 claims, bijvoorbeeld ‘vitamine C ondersteunt je afweer’)[iii] of op nieuw wetenschappelijk bewijs (artikel 13.5 claims, zoals ‘suikerbietvezels dragen bij tot een verhoging van de fecale bulk’)[iv]. Het derde type claim is de ziekterisicobeperkende claim, de artikel 14.1a claim. Deze claims verbinden een specifieke voedingsstof aan het verlagen van een risicofactor van een ziekte. Hierbij is het belangrijk om te onthouden dat je met zo’n claim nooit mag beweren dat het risico op de ziekte zélf verlaagt door het eten van deze voedingsstof, je verlaagt immers maar één van de risicofactoren op de ziekte. Een duidelijk voorbeeld hierbij is de claim dat beta-glucaan uit haver cholesterol verlaagd en hoog cholesterol een risicofactor is voor het ontwikkelen van hart- en vaatziekten[v]. Het vierde type claim is net als de ziekterisicobeperkende claim een zogenaamde artikel 14.1 claim, maar deze claim is te vinden in sectie b van dit artikel. Dit zijn alle claims die zich richten op kinderen, zoals ‘calcium is nodig voor de normale groei en ontwikkeling van botten van kinderen’[vi]. Alle claims waarvan EFSA het wetenschappelijke bewijs als ondersteunend beoordeelde én de Europese Commissie uiteindelijk goedkeuring voor gaf, zijn te vinden in de goedgekeurde lijst met claims[vii].

    Op 1 januari 2008 moesten alle voorgestelde artikel 13.1, de algemene functie claims, binnen zijn met de wetenschappelijke bewijsvoering voor deze claims. Dat betekende dat iedereen de claims die hij of zij zou willen maken in moest dienen bij een aangewezen nationale autoriteit, waarna het verzameld werd bij de Europese Commissie. Meer dan 44.000 claims werden ingediend en aangezien er natuurlijk veel vergelijkbare claims in de verschillende landen waren ingediend, bleven er na clustering door de Commissie nog 4.637 claims over[viii]. Al deze voorgestelde claims hadden dan ook wetenschappelijk bewijs waarop ze gebaseerd waren en de dossiers zijn doorgestuurd naar EFSA, om dit wetenschappelijke bewijs te beoordelen. Hoewel, wetenschappelijk bewijs… Er zijn twee claims ingediend over het effect van Koreaanse ginseng[ix] op cognitieve prestaties en het glucosemetabolisme, waarbij niet alleen wetenschappelijk bewijs aangeleverd wordt voor het effect, er wordt ook verwezen naar het Oude Testament. Ezechiël 27, vers 17 wordt gezien als ondersteunend voor deze twee claims: “De kooplieden van Juda en Israël gaven voor je handelswaar rijst, fijn meel, honing, olijfolie en balsem.” En hoewel deze claims nog niet officieel beoordeeld zijn omdat het om kruiden gaat en alle claims over kruiden nog on hold staan, is het zeer onwaarschijnlijk dat deze teksten als ondersteunend worden beoordeeld voor deze voorgestelde claims.

    Van de 4.637 claims zijn er dus twee claims die onder andere gebaseerd zijn op een vers uit de Bijbel. Waar om wetenschappelijk bewijs werd gevraagd, is de kans vrij klein dat de Bijbelteksten gezien worden als ondersteunend bewijs voor een algemeen aanvaarde gezondheidsclaim.


    [i] Verordening (EG) Nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (Geconsolideerde versie van 13 december 2014.)

    [ii] de Boer, A., Vos, E., Bast, A. (2014). Implementation of the nutrition and health claim regulation – The case of antioxidants. Reg Tox Phar 68(3), 475-487.

    [iii] EFSA Panel on Dietetic Products, Nutrition and Allergies (NDA), 2010. Scientific Opinion on the substantiation of health claims related to vitamin C and reduction of tiredness and fatigue (ID 139, 2622), contribution to normal psychological functions (ID 140), regeneration of the reduced form of vitamin E (ID 202), contribution to normal energy-yielding metabolism (ID 2334, 3196), maintenance of the normal function of the immune system (ID 4321) and protection of DNA, proteins and lipids from oxidative damage (ID 3331) pursuant to Article 13(1) of Regulation (EC) No 1924/2006. EFSA Journal 8(10), 1815.

    [iv] EFSA Panel on Dietetic Products, Nutrition and Allergies (NDA), 2011. Scientific Opinion on the substantiation of a health claim related to sugar beet fibre and increasing faecal bulk pursuant to Article 13(5) of Regulation (EC) No 1924/2006. EFSA Journal 9(12), 2468.

    [v] EFSA Panel on Dietetic Products, Nutrition and Allergies (NDA), 2010. Scientific Opinion on the substantiation of a health claim related to oat beta glucan and lowering blood cholesterol and reduced risk of (coronary) heart disease pursuant to Article 14 of Regulation (EC) No 1924/2006. EFSA Journal 8(12), 1185.

    [vi] EFSA Panel on Dietetic Products, Nutrition and Allergies (NDA), 2008. Calcium and bone growth – Scientific substantiation of a health claim related to calcium and bone growth pursuant to Article 14 of Regulation (EC) No 1924/2006. EFSA Journal 6(10), 826.

    [vii] Verordening (EU) Nr. 432/2012 van de Commissie van 16 mei 2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan. (Geconsolideerde versie van 14 september 2016.)

    [viii] de Boer, A., Vos, E., Bast, A. (2014). Implementation of the nutrition and health claim regulation – The case of antioxidants. Reg Tox Phar 68(3), 475-487.

    [ix] ID 3668 en ID 3669 in EFSA Panel on Dietetic Product, Nutrition and Allergies (NDA), 2011. Consolidated list of Article 13 health claims. List of references received by EFSA Part 4, IDs 3001-4705. Available via https://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/assets/ndaart13ref04.pdf.

  • Ja, light chips bestaat, al blijf je dat misschien gek vinden. In mijn vorige blog heb ik uitgelegd waarom en hoe we voedings- en gezondheidsclaims Europees geregeld hebben. In deze blog leg ik je graag uit waarom producten, die je in eerste instantie misschien niet heel gezond lijken, toch een voedingsclaim mogen gebruiken.

    De Europese voedings- en gezondheidsclaims verordening[i] regelt alle beweringen over wat er in een voedingsmiddel zit (een voedingsclaim) of wat het voedingsmiddel met je gezondheid doet (een gezondheidsclaim). De eisen waaraan zo’n claim moet voldoen staan voor voedingsclaims in de bijlage van dezelfde verordening beschreven, voor gezondheidsclaims vind je dit in de bijlage van een andere Europese verordening waarin een lijst met goedgekeurde claims te vinden is[ii].

    Een voedingsclaim vertelt iets over de inhoudsstoffen van een product, waarbij een productent met een claim de indruk mag wekken dat het product ‘heilzame eigenschappen’ heeft[iii]. Dit betekent dat een voedingsclaim een inhoudsstof benadrukt die goed is voor de gezondheid (bijvoorbeeld een vitamine) of juist vertelt dat er iets uit het product gehaald is waar je liever minder van binnen krijgt. Volgens de wettelijke definitie mag een voedingsclaim gaan over de calorische waarde van een product óf een specifiek nutriënt of een andere stof in het product, die in het product zit of geleverd wordt, die verlaagd of verhoogd is in het product, of die juist níet in het product zit of geleverd wordt.

    Daarmee ontstaan er twee typen voedingsclaims in Europa: inhoudsclaims en vergelijkende claims. Een inhoudsclaim beschrijft de specifieke voedingsstof die er wel of juist niet in zit (bijvoorbeeld ‘rijk aan vezels’), met een vergelijkende claim worden verschillende producten in eenzelfde productgroep met elkaar vergeleken op één voedingsstof (zoals ‘verlaagd zoutgehalte’). Je vergelijkt bijvoorbeeld een specifieke rode saus met een andere rode saus. En precies die productgroep is belangrijk als je kijkt naar de voedingsclaim ‘light’.

    Als je op een product de claim ‘light’ wil zetten, moet je voldoen aan de voorwaarden die gesteld worden aan de zogenaamde ‘verlaagd’ claim[iv]. Het is dus een vergelijkende claim, die meestal kijkt naar één van de volgende drie aspecten: de energetische waarde, het vetgehalte of het suikergehalte van het product. Als je de energetische waarde van een product, dus het aantal kilocalorieën of kilojoules, met 30% kunt verlagen, mag je zeggen dat het product een verlaagde energetische waarde heeft. Deze 30% verlaging geldt ook voor vetten of koolhydraten. En zoals gezegd, die productgroep is belangrijk. Je kunt chips natuurlijk niet gaan vergelijken met aardappelen: je gaat immers niet ineens een rauwe aardappel serveren als snack! Dus als je op chips een claim wilt gebruiken, moet je zorgen dat jouw geproduceerde chips 30% minder energie, 30% minder vetten of 30% minder suikers bevat dan ‘normale’ chips.

    Bij de claim ‘light’ moet een producent vermelden wát er verlaagd is in het product. Maar dat betekent niet dat je dan niet meer op het etiket hoeft te letten: in sommige lightproducten wordt de verwijderde inhoudsstof gecompenseerd door een andere voedingsstof te verhogen, bijvoorbeeld vetten die vervangen worden door koolhydraten en eiwitten. Als light chips dus de claim ‘light’ gebruikt omdat het vetgehalte verlaagd is, hoeft het energiegehalte van de chips dus niet heel veel lager te zijn.

    Al met al bestaat light chips dus zeker. En ook genoeg andere producten hebben een light-variant, denk maar aan light frisdrank. Maar blijf goed nadenken waarom je van een specifiek product de lightversie koopt en of het product dan kan voldoen aan je verwachtingen!


    [i] Verordening (EG) Nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (Geconsolideerde versie van 13 december 2014.)

    [ii] Verordening (EU) Nr. 432/2012 van de Commissie van 16 mei 2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan. (Geconsolideerde versie van 14 september 2016.)

    [iii] Artikel 2 Verordening 1924/2006.

    [iv] Annex Verordening 1924/2006.

  • Sinds 2006 moeten alle voedings- en gezondheidsclaims die door fabrikanten op voedingsmiddelen gezet worden, voldoen aan de Europese verordening voor voedings- en gezondheidsclaims[i]. Maar waarom zijn kreten als ‘light’ en ‘cholesterolverlagend’ eigenlijk Europees geregeld? Om dit uit te leggen, neem ik jullie eerst mee naar een aantal jaren geleden.

    Vanaf ongeveer de jaren ’80 in de vorige eeuw raakten voedingswetenschappers geïnteresseerd in het maken van functionele voedingsmiddelen[ii]: voedingsmiddelen die nét iets gezonder zijn dan hun ‘normale’ tegenhanger, omdat er een ingrediënt uitgehaald is of juist een voedingsstof is toegevoegd. Je kunt denken aan een product waarin het vetgehalte verlaagd is, of waar juist vezels aan toegevoegd zijn. Deze voedingsmiddelen leveren de gezonde voedingsstoffen die normale varianten van het product ook hebben, maar het is een tikkeltje gezonder gemaakt. Alleen, als je tijd en geld steekt in het ontwikkelen van zo’n product, dan wil je natuurlijk ook een consument laten weten waarom hij juist jouw product moet kopen. Zo kwamen de eerste voedingsclaims (bijvoorbeeld ‘bevat vezels’) en gezondheidsclaims (zoals ‘vitamine C ondersteunt je afweer’) op verpakkingen terecht.

    De ontwikkeling van functionele voedingsmiddelen begon in Japan, maar al snel begonnen meer wetenschappers en bedrijven zich te richten op het gezonder maken van hun producten. Er waren alleen maar weinig landen die duidelijke regels hadden over wat je wel en niet op een verpakking mocht zetten. Daardoor konden ook bedrijven die minder duidelijk bewijs hadden voor de gezondheidseffecten van hun producten overtuigende slogans maken. In 1991 werd in Japan voor het eerst een wet aangenomen over wanneer een product met verwachtte gezondheidseffecten dat ook op een label mocht zetten, de VS volgde in 1994. Ook verschillende Europese landen begonnen hun eigen regels te maken.[iii]

    Ondertussen speelde er in Europa ook iets heel anders. Wet- en regelgeving gemaakt in de Europese Unie was er met name op gericht om regels gelijk te trekken in de verschillende lidstaten van de EU. Maar toen in de jaren ’90 de BSE-crisis uitbrak en andere voedselschandalen aan het licht kwamen in Europa, realiseerde men zich dat die Europese regels nog sterker dan eerder in moesten zetten op een ander aspect: het beschermen van consumenten[iv]. Na een lang proces werd in 2002 een nieuwe Europese verordening aangenomen, het kader voor alle Europese voedingswetgeving: de algemene levensmiddelenverordening[v]. Hierin worden onder andere alle algemene bepalingen voor voeding en voedselveiligheid beschreven. Eén algemeen beginsel in deze verordening is dat wetenschappelijk bewijs gebruikt moet worden om vast te stellen of een voedingsmiddel risico’s met zich meebrengt of niet. Dit wetenschappelijke bewijs moet samengesteld of bekeken worden door onafhankelijke experts, samengebracht in de Europese Voedselveiligheid Autoriteit (EFSA). Vervolgens kunnen Europese politici dit onafhankelijke bewijs gebruiken om hun beslissingen op te baseren.[vi]

    Het maken van deze algemene levensmiddelenverordening was maar één van de 84 actiepunten die in Europa opgesteld waren naar aanleiding van de verschillende voedselschandalen. Een ander punt was dat men wetgeving wilde maken om reclame-uitingen over de gezondheidseffecten van voedingsproducten te regelen. Uit twee Europese onderzoeksprojecten naar functionele voedingsmiddelen[vii] en criteria waaraan zulke claims zouden moeten voldoen[viii] bleek namelijk dat er verschillende soorten beweringen op een voedingsmiddel zouden kunnen staan, waarvoor je wellicht verschillende soorten wetenschappelijk bewijs nodig zou hebben.

    Uiteindelijk hebben de onderzoeksprojecten en de verschillende voorstellen voor claims wetgeving in 2006 geleid tot het aannemen van de Europese voedings- en gezondheidsclaims verordening zoals we die nu kennen. Hierin worden, zoals de naam al zegt, voedingsclaims en gezondheidsclaims geregeld, waarbij alle beweringen over wat er in een product zit worden gezien als voedingsclaims en beweringen over het effect van het eten van het product als gezondheidsclaims. Vóór je zo’n claim mag gebruiken op de verpakking, moet je kunnen voldoen aan de standaarden die voor de claims gesteld zijn op basis van het wetenschappelijke bewijs hierover. Als je wilt zeggen dat jouw product genoeg vitamine C bevat om je weerstand op peil te houden, dan moet je zeker zijn dat iemand die je product eet ook genoeg vitamine C binnen kan krijgen waarmee die weerstand op peil gehouden wordt[ix]. En als je een nieuw, positief gezondheidseffect ontdekt van jouw product, moet je hiervoor het wetenschappelijke bewijs kunnen overleggen. Als dit bewijs overtuigend is, kun je toestemming krijgen van de Europese Commissie om deze claim te gebruiken[x]. Zo kan een consument niet misleid worden, waarmee ook deze Europese verordening consumentenbescherming hoog in het vaandel heeft.

    Alle beweringen die op een product gemaakt worden, over hoe gezond het is of over wat voor gezonde voedingsstoffen erin zitten, zijn dus geregeld in deze Europese verordening. Die verordening is naast het gelijktrekken van regelgeving in verschillende lidstaten dan ook vooral bedoeld om te voorkomen dat consumenten misleid worden, maar de stoffen ook écht te vinden zijn in het product en het product doet wat het beloofd.


    [i] Verordening (EG) Nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen.

    [ii] Jones, P.J.H., Asp, N.-G., Silva, P. (2008). Evidence for health claims on foods: how much is enough? Introduction and general remarks. J. Nutr. 138, 1189S–1191S.

    [iii] de Boer, A., Bast, A. (2015). International legislation on nutrition and health claims. Food Pol 55, 61-70.

    [iv] Vos, E. (2000). EU Food Safety Regulation in the Aftermath of the BSE Crisis. J Cons Pol 23(3), 227–255.

    [v] Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden.

    [vi] de Boer, A., Vos, E., Bast, A. (2014). Implementation of the nutrition and health claim regulation – The case of antioxidants. Reg Tox Phar 68(3), 475-487.

    [vii] Diplock, A.T., Aggett, P.J., Ashwell, M., Bornet, F., Fern, E.B., Roberfroid, M.B. (1999). Scientific concepts of functional foods in Europe—consensus document. Br. J. Nutr. 81, S1–S27.

    [viii] Aggett, P.J. et al., 2005. PASSCLAIM, process for the assessment of scientific support for claims on foods. Eur. J. Nutr. 44, i1–i2.

    [ix] EFSA Panel on Dietetic Products, Nutrition and Allergies (NDA), 2010. Scientific Opinion on the substantiation of health claims related to vitamin C and reduction of tiredness and fatigue (ID 139, 2622), contribution to normal psychological functions (ID 140), regeneration of the reduced form of vitamin E (ID 202), contribution to normal energy-yielding metabolism (ID 2334, 3196), maintenance of the normal function of the immune system (ID 4321) and protection of DNA, proteins and lipids from oxidative damage (ID 3331) pursuant to Article 13(1) of Regulation (EC) No 1924/2006. EFSA Journal 8(10).

    [x] De Boer, A., Vos., E., Bast, A. (2014). Implementation of the nutrition and health claim regulation – The case of antioxidants. Reg Tox Phar 68(3), 475-487.